Idioticon van de persoonlijkheid

I Extraversie
II Vriendelijkheid
III Zorgvuldigheid
IV Emotionele Stabiliteit
V Intellectuele Autonomie

Afkortingen                   

 terug naar Big 5


I Extraversie

naar boven

I+I+
SPONTAAN, UITBUNDIG, MEDEDEELZAAM

spontaan maakt gemakkelijk contact, spreekt onvoorbedacht

uitbundig dionysisch [Dionysus, Griekse god van de wijn en de uitbottende natuur], geëxalteerd, uitheinig (gezegd van kinderen, gew.), vreugdedronken, opgetogen van blijdschap, uitzinnig van vreugde, door het dolle heen, in een hoerastemming, van de ketting (uitgelaten), huppelt van plezier, staat vaak te jeukelen (luidruchtig te lachen, gew.)/ joechelen (gew.)/ joechjachen (gew.)/ juichen, scheert de bonte stier, zet de bloemetjes buiten, laat de molen door de vang (soort rem) lopen, raakt in extase

mededeelzaam communicatief, heeft een expansieve natuur

spraakzaam pratatief (inform.), praterig, causeur, gezellige prater, heeft van het tatervat (gew.) gedronken, roert de kaken, roert zijn tong

enthousiast gemotiveerd, enthousiasteling, overal voor in, overal voor te porren/ vinden, raakt snel in vervoering, doet dingen met animo, doet dingen vol enthousiasme, echauffeert zich snel, raakt in geestdrift, geeft zich voor de volle honderd procent

praatlustig praterig, leuter, leuteraar, leuterkont, praatal, praatgraag, pratersbaas, praatkous, praatvaar, altijd om een praatje verlegen, zit vaak te klappen/ klapzeiken/ ouwehoeren/ zwetsen/ pratelen (gew.), praat graag over koetjes en kalfjes

extravert naar buiten gekeerd, op anderen gericht

naar boven

I-I-
GESLOTEN, ZWIJGZAAM, INTROVERT

gesloten gesloten als een brandkast/ oester, gesloten als het graf, zo dicht als een pot, propt/ pot dingen op, heeft een pantser om zich heen

zwijgzaam zwijger, breikous (vrouw die weinig zegt), zo droog als een haring, karig/ spaarzaam/ zuinig met woorden, van weinig praats, weinig van zeggen, zegt boe noch ba, zwijgt als het graf, zwijgt als een mof/ pot, zwijgt in alle/ zeven talen, houdt de kaken/ kiezen op elkaar, houdt zijn kakement/ mond/ waffel/ smoel, houdt zich piet. houdt zich zo piet als een muisje (gew.), speelt stommetje, zegt geen stom woord

introvert in zichzelf gekeerd

stil stille in den lande [Ps. 35:20; Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedrieglijke zaken tegen de stillen in het land], stil water [van het gezegde `stille waters hebben diepe gronden']

terughoudend coulissenfiguur, houdt zich op de achtergrond/ vlakte, houdt zich afzijdig, houdt zich zo stom als een vis, houdt de tong achter de kiezen, houdt een slag/ slinger om de arm, laat nooit het achterste van zijn tong zien, laat dingen in de schaduw, geeft zich niet bloot, verbergt zijn gedachten

onmededeelzaam laat dingen binnenskamers blijven, houdt de bocht om/ achter de arm (gew.), houdt dingen vóór zich, houdt zich gedeisd/ luikes (Barg., houdt zich van de domme)/ sjakes [Jakes is persoon uit Vlaemsche klucht van Sinjoor Jakus Smul uit 1645]/ smok/ koest, laat de zon niet van zich schijnen, bijt zich liever de tong af dan iets te zeggen

afstandelijk gedistantieerd, niemandsvriend, gesteld op privacy, bewaart afstand, heeft geen boodschap aan anderen, men moet van zijn kantje blijven, men moet hem niet te na komen, weert mensen af, negeert mensen, wijst toenadering af, houdt anderen van zijn kleren, houdt anderen van het lijf

eenkennig inkennig, lijdt aan contactarmoede

naar boven

I+II+
OPGEWEKT, GEZELLIG, JOVIAAL

opgewekt hups, goedsmoeds, is in zijn hof/ knollentuin/ lobbe/ schik/ sas, heeft een goede luim, zijn hoofdje staat op zij, zet de muts op zij (gew.), weet zich te vermaken/ vermeien [van maand mei]

gezellig sociabel, gezelligheidsdier, omgeeft zich graag met mensen, houdt van een hoop reuring (volkst.)/ vertier

joviaal linkmiegel (sic) [van link+Michel], getapte figuur

zonnig zonnestraaltje, het zonnetje in huis, heeft een zondags humeur

blij levensblij, zo blij als een hondje met zeven staarten, schept vreugde in het leven, straalt blijheid uit, voelt zich de koning te rijk

vrolijk leutig, lustig, feestnummer, fuifnummer, giebel, giechel, hollewaai (gew.), leutigaard, lachebek, lachgraag, kwast (gew.), pretfiguur, pretmaker, vrolijke Frans [naar de held van een 17de-eeuwse roman, "'t Kluchtige Leven van vrolyke Fransje"], Jan Pret, (ver)diverteert zich, zit altijd pret te maken, zit altijd te ketteren (gew.)/ giebelen/ giechelen/ ginnegappen/ grunniken (gew.), zit te kokkelen (lachen, gew.) van plezier, zit te schateren van het lachen, leukt/ leukert (gew.) [van op+leukeren, warmen]/ montert/ vrolijkt anderen op, maakt altijd giebbelegeintjes, heeft groene ket (gew., dolle pret), heeft veel leut/ nages (Barg.)

blijgeestig toont zich verblijd

plezierig plezant, pleziermaker, iemand om mee uit vissen te gaan, houdt van vertij (gew.), houdt van een verzetje

toegankelijk genaakbaar, geeft anderen voet

blijmoedig blijhartig, glunder, licht van gemoed, verheugd van hart, zit altijd te glunderen

levendig klibberig (gew.), kruiderig (gew.), kwikzilverig, spril (gew.), een gaillard (gew.), klibber (gew.), spring-in-'t-veld, spreekt met brio

vlot snelle jongen, kek type, heeft flair, bij hem gaat alles van een leien dakje, gaat zwierig(jes) gekleed

goedgehumeurd goedgeluimd, goedgemutst, heeft een goeie rul (gew., goeie bui)

jolig altijd aan het jolen

oergezellig zeer gesteld op gezelligheid

openhartig goedrond mens, heeft geen geheimen voor anderen, doet zijn doosje open, zegt wat hij op het hart heeft, het hart ligt hem op de lippen/ tong, maakt van zijn hart geen moordkuil/ smoorkuil, spreekt onbewimpelde taal, zegt de dingen ronduit, geeft iets ruiterlijk toe, komt in de vlakte, komt rond voor iets uit, spreekt recht voor de vuist (gew.), schenkt klare wijn

opgeruimd vergenoegd, vernoegd van zin, een onbeklemde ziel, heeft een goede zin

goedlachs lacht veel

kwiek kwik, rap, raps, vief, kwiekerd kameraadschappelijk goede kameraad

jofel [Hebr. jofeh, aangenaam], een joven (Barg.) type

olijk olijkerd, strop (gew.), guit, uilenspiegel [van Nd. uien (vegen) en spiegel, jagersterm voor achterwerk, dus iets als: `je kunt me de kont afvegen']

open wandelt met open deuren, kent geen geheimen, laat zich in de kaart kijken, stelt zijn licht niet onder de korenmaat [Matth. 5:15; Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een korenmaat, ...], zet de ramen wijd open, staat open voor dingen/ mensen

amicaal doet vriendschappelijk en gemeenzaam

onderhoudend conversabel

gelukkig zielsgelukkig, is en veine (Fr.), in de wolken, onder een gelukkig gesternte geboren, boven de huizen, heeft de vogel af [de vogel afgeschoten, gew.], zijn ziel/ hart rijdt op een kordewagen (gew. kruiwagen) [Mnl. cordewagen, crudewagen, van cruden, duwen], loopt met het hoofd in de sterren, zit goed in zijn vel, kan zijn weelde niet op

guitig gabberd (gew.), gastje, guit, guitzak (gew.), kapoen [Lat. caponem, gecastreerde haan, van de naar de besnijdenis verwijzende scheldnaam `kapoen' (deugniet) voor jood, gew.], haalt guitenstreken/ guitenstukken uit

amusant amuseert mensen

lollig lolbroek, lolmaker, loltrapper, moppentapper, trapt lol, schopt keet, zit altijd te lollen, zit zotteklap uit te slaan, vertelt witzen, kittelt mensen de milt

komiek komisch, komiekerig, komiekeling, krates [komiek persoon, Oorspr. misvormd mens, naar de Griekse filosoof Krat■s, die door een ongeluk aan het onderlijf verlamd was], pince-sans-rire, droogkomiek

onbevangen staat blanco tegenover de wereld

geinig geinponum, gein van een vent, doet dingen voor de gein [Hebr. ch‚n, gunst]

lacherig lacht om niks

belangstellend heeft een mime belangstelling/ interesse, luistert aandachtig, luistert met aandacht, stelt belang in anderen

familiaar doet gemeenzaam tegen mensen

grappig drollig (gew.), kluchtig, knoddig (gew.), koddig, kortswijlig (arch.), snakerig, uiig (veroud.), vermakelijk, een farceur, grappenmaker, grapjas, grapjurk, leukerd, pierewiet [Fr. pirouette of van het vogelgeluid?], Jan Pierewiet, scaramouche, hansworst, schertser, snaak, spuiter (gew.), is sterk in faribolen (malle praatjes), heeft luimige invallen, heeft snaakse/ gekke streken, zit altijd te grimmen/ ginnegappen, zit uien te tappen, rijdt de gans met mensen, houdt mensen voor de gek, zit vol grappen en grollen, maakt jennetjes/ pageintjes (Barg., grapjes)/ tolletjes (gew.), zegt de dingen leukjes/ leukweg

rondborstig komt ergens rond voor uit

naar boven

I-II-
ONTOEGANKELIJK, STUG, ONDOORGRONDELIJK

ontoegankelijk onbenaderbaar, innerlijk onbereikbaar, horende doof, moeilijk te benaderen, niet te genaken, schermt zich af, houdt zich gedekt, verbergt zich achter een facade, isoleert zich, sluit zich op, klapt dicht, houdt zich (Oostindisch) doof [verm. ontstaan door de omgang van Nederlanders met oosterlingen die niet reageerden op de tot hen gerichte Nederlandse woorden die zij uiteraard niet verstonden], heeft een gepantserd gemoed, zit in een eigen denkwereld ingekapseld, draagt een masker, trekt een muur om zich heen, leeft als een oester

stug stugkop, houten/ stijve klaas, maakt moeilijk contact, doet als de Maas bij Bokhoven (gaat zonder groeten voorbij), refouleert (psych., verdringt zijn gevoelens), geeft geen sjoechem/ sjoege (Barg.), speelt stommetje

ondoorgrondelijk ongrijpbaar, duisterling, sfinx, sibille [in de Romeinse oudheid waren de Sibyllen waarzeggende vrouwen, die onder andere ongeluk over steden en volken voorspelden], niet te sonderen/ doorgronden, hult zich in raadselen

eenzelvig eenbaar, solist, eenling, eenzame wolf (angl.), in zichzelf gekeerd, zichzelf genoeg, niet voor de omgang, plooit zich op zichzelf terug, vereenzelvigt meer en meer

stroef valt niet pluis (gew.), niet gemakkelijk in de omgang, heeft een steile houding

negatief negativist, heeft een negatieve houding, denkt klein van anderen, vindt alles klote, heeft altijd de schurft/ tering/ hel in

ongezellig voelt zich niet thuis in gezelschap

verbitterd bitter, vergramd, verzuurd, heeft een doorbitterd gemoed

argwanend op zijn hoede, kijkt met argusogen [Gr. Argos, reus met honderd ogen, bewaker bij de in een koe veranderde Io; werd gedood door Hermes, waarna Hera de ogen in de staart van de pauw plantte], laat zich niet in de kaart kijken, heeft soupcon (argwaan) jegens mensen, heeft boze auspiciën

wantrouwend mistrouwig, mistrouwt/ wantrouwt anderen, smout mensen niet (Barg., vertrouwt mensen niet), koestert verdenking jegens anderen

wantrouwig ontrouwig (gew.), heeft een leugengeest, heeft de neiging alles tot leugen te verklaren, ziet mensen scheef aan, vertoont wangeloof, koestert wantrouwen

achterdochtig achterkousig (gew.), ombrageus, op zijn qui-vive, lijdt aan achtervolgingswaan, zoekt overal iets achter

koel onaandoenlijk, koele kikker, heeft kikkerbloed, doet koeltjes, handelt met een koel hoofd, gebruikt het koele verstand, blijft overal onberoerd onder

solitair leeft graag afgezonderd, verkiest een geïsoleerd bestaan

onpersoonlijk toont geen eigen karakter

naar boven

I+II-
FEL, LAWAAIERIG, DRUK

fel pisnijdig, pissig, een felle, schiet met scherp, debatteert op de man af, bekt/ bijt venijnig terug

lawaaierig bruyant, roezemoezerig, tapageus [Fr. tapageuse, druktemaakster], lawaaischopper, levenmaker, altijd aan het ravotsen (gew.)/ rementen/ roezen/ roezemoezen/ tamboeren (gew.), maakt veel bombarie, maakt leven als een oordeel, maakt leven dat horen en zien je vergaat, maakt een satans leven, maakt een hoop purim [Purim, joods feest ter herinnering aan de redding van de joden door Esther, die voorkwam dat Haman alle joden in Perzië liet vermoorden], maakt veel radau [Hd.], maakt een hoop ramulte (gew.)/ tamtam (gew.)/ herrie, maakt een oorverdovend spektakel, schopt herrie/ kabaal/ lawaai, gaat tekeer als een wildeman

druk roerig, druktemaker, parettemaker (gew.), perpetuum mobile, schetterbek (gew.), schetterbuik, windschopper, opgewonden standje, altijd in de weer, is als een wervelwind, altijd aan het kawauwelen [Mnl. cauwen, volkst. kawauw, mond]/ drukte maken, heeft veel hartlast (veroud.), heeft ordonnantie, heeft poepelderij op het lijf, maakt een hoop des (volkst.)/ theater, maakt veel stront/ omslag/ drukte, schept overal de peentjes/ boel op

bemoeizuchtig bemoeial, Jan Moeial, beschikal, keukenpiet, regelaar, regelneef [door Koot en Bie in de jaren '80 geïntroduceerd woord], steekneus, steeksnuit, tantefeer [gew., Fr. tant Ó faire], touche-Ó-tout, heeft een regelingswoede, lijdt aan regelzucht/ regelneverij, laat overal zijn asem overheen gaan, mêleert/ mengt zich overal in, bemoeit zich met andermans zaken, steekt zich in andermans zaken, steekt zijn hoofd in alle gaten, steekt zijn neus overal in, zit overal met zijn neus bij, kijkt mensen op de handen/ vingers, patroniseert anderen, behandelt anderen minzaam en bemoeiziek, reddert/ regelt dingen wel even voor anderen

wild een farouche (ontembaar mens), ruiter [Middeleeuws Lat. rutarius, rover], wildebras, wildeman, wilde pandoer [soldaat van Kroatisch regiment, opgericht door baron Franz von der Trenck, begin 18e eeuw], moeilijk te temmen, gaat altijd wild tekeer

explosief maakt heisa/ stampij, trekt zijn scheur open, schreeuwt moord en brand, schopt een standje, gaat op zijn tenen staan, verzet zich fel, zet direct zijn veren overeind

brutaal astrant [Fr. assurant, een ferme houding aannemend], astranterig, bekkig, tranquil (sic, gew.), hapschaar [Fr. happe-chair, gew., iemand die zich wil doen gelden], een strabender (gew., vlegel), zo brutaal als de beul, een salamanderse/ bliksemse/ strabante [Mnl. sturberen, in de war brengen] kerel, heeft veel toupet/ lef/ durf/ brutaliteit, heeft een mond als een hooischuur/ schuurdeur/ spongat, geeft mensen een vuil bakkes, zet een grote smoel op, trekt een grote broek aan, trekt een grote bek open, lacht iemand in zijn gezicht uit, spreekt alsof hij een mes in zijn zak heeft, kan zijn goffer/ slabek/ slaaibek/ slaaismoel/ slamond/ slasmoel niet houden, geeft iemand de stukken in de hand, antwoordt brutaal/ gevat, slaat op de grote trom, zegt dingen vlakaf/ vlakuit/ vlakweg in iemands gezicht

uitdagend provocant, provocerend, provocatief, een provo, provoceert mensen, blekt naar mensen, kijkt mensen uitdagend aan, jaagt mensen in de gordijnen, jaagt mensen het schuim op de lippen, gooit een steen in de vijver (doet iets om een reactie uit te lokken), doet iets om opschudding te veroorzaken, tart mensen, maakt tergende opmerkingen

gehaaid gelikt, pinnig, gladjanus, pin, haaibaai, heibei, veeg (gew.), helleveeg [van helle (hel)+vegen, vijandig behandelen], kenau [Kenau Simons Hasselaar, 1572-1573, dapper strijdster tijdens beleg van Haarlem], huzaar (dragonder van een vrouw), wijf met een moustache, oude heks, gehaaide feeks/ tante/ bliksem, onte mieter (gew.), boze tas (veroud., gew.), ros van een wijf (gew.), spreekt als een advocaat, heeft haar op de tanden, verkoopt en verraadt mensen, is mensen te slim af

kittig pittig, een kreute (gew.)

krijgshaftig heeft een martiale houding [Lat. oorlogsgod Mars]

naar boven

I-II+
RUSTIG, BEDAARD

rustig de rust zelve, handelt penages [Hebr. naches, rust], bezit quiëscentie (innerlijke rust)

bedaard relaxed, tranquil (gew.), doet alles op z'n dooie akkertje, doet dingen op zijn gemak, doet dingen op z'n duizend/ zeven gemakken, doet alles op een stoel en een stoof, gaat zonder overhaasting te werk, gaat met verdrag (veroud.) te werk, doet dingen planplan [Mal. pelan-pelan (zachtjesaan)], laat dingen op een zacht pitje sudderen

lankmoedig laat mensen betuilen [laat mensen hun tuil, hun gang gaan]/ betijen/ begaan

ongastvrij ontvangt mensen gelijk een hond in een kegelspel, bereidt mensen een koele ontvangst

naar boven

I+III+
BEDRIJVIG, ENERGIEK, VIEF

bedrijvig bedrijfal, bedrilal, redderaar, bezige balie (gew.), bedrijvige Martha [Luc. 10:40, Doch Martha was zeer bezig met veel dienens...], loopt altijd te redderen

energiek energiekeling, man van de daad, iemand van ras, iemand vol pit, bezit daadkracht, er zit staal in hem, pakt dingen straf aan

vief levendig, een reed wijf (gew.)

kordaat kiepig (gew.), treedt direct handelend op

voortvarend werkt met entrain/ voortvarendheid, zet ergens altijd vaart achter

kloek [Hd. klug]

flink haaiig (sic), fiks, kras, wakkere jongen, flinkerd, mannetjesman, veger (gew.), een echte kereUvent, is er een van pakaan, heel wat mans, niet bang om de handen vuil te maken, heeft merg in de knoken, heeft veel stoom op, heeft veel werkkracht, kan bergen verzetten [1 Cor. 13:2; en al ware het, dat ik het geloof had, zodat ik bergen verzette], levert het hem, mag er wezen, speelt pootaan, zet ergens de schouders onder, geeft 'm een zetje

ferm Jan Stavast, kerel van stavast

charmant aanminnig, bekoorlijk, bevallig, charmeur, heeft charme

naar boven

I-III-
APATHISCH, PASSIEF, ONPEILBAAR

apathisch dul, bloedeloos, levenloos, heeft geen levensdrift/ levenslust, heeft een zwak libido, vegeteert slechts

passief daadloos, passivist, heeft geen daadkracht/ energie

onpeilbaar niet te doorgronden

inactief lethargisch [Gr. l■thargia, slaapziekte]

traag draler, harddraver van luie Kees, trage lut, zo traag als een slak, van geen haas gerammeld, komt hij er vandaag niet dan komt hij er morgen, werkt op zijn elfendertigst

sloom languissant, langoureus, smachtend, een dropje (jeugdt.), eikel, bangebroek, druiloor, treurwilg, slome duikelaar [pseudoniem Shloume Duikelaar van Abraham Jozeph Swalff, 1745-1819, schrijver van jiddische stukjes], dooie pier

onge´nteresseerd vindt nergens een zak aan, interesseert zich nergens voor

kopschuw [oorspronkelijk gezegd van paarden], schrikkerig

nihilistisch nihilist, ontkent grondwaarheden

flegmatiek flegmaticus, bezit flegma [Gr. phlegma, brand, ontsteking, slijm]

inert daadloos

naar boven

I+III-
ONGEREMD, ONBESUISD, RUMOERIG

ongeremd bratte jongen (gew.), losgebroken paardje, flapuit, haastig in de mond, vaak aan het freaken, leeft zich uit, gooit alle remmen los, flapt/ fletst (gew.) er van alles uit, weet geen maat te houden, kent geen remmingen, kent paal noch perk

onbesuisd doldriest, dolkoppig, druistig (gew.), ijlhoofdig, ontremd, schier mens (gew.), dolkop, dolleman, ijlhoofd, lichthoofd, schuiferluit (gew.), wildzang, dolle Dries, rare hekkenspringer, wilde klavier, wilde rabas [gew., Mnl. rebas, woesteling], wilde kraai van een meid, niets is hem te dol, loopt te hard van stapel/ stal, maakt scharminkel (gew.)/ wanorde/ ruzie/ lawaai, gaat al snel buiten/ over de schreef, maakt het vet, maakt het te bar

rumoerig ruchtig (gew.), geweldmaker, rumoermaker, rustverstoorder, altijd aan het rumoeren

luidruchtig lawaaiig

vrijpostig franke/ stoute (gew.) muil, veroorlooft zich familiariteiten/ vrijheden/ vrijpostigheden, bezit liberteit (gew.)

branieachtig branie, dikke nek (gew.), heeft een hoop kakkerij/ branie/ pep/ lef, maakt kak, schopt/ trapt lef

clownesk malloterig, mallotig, potsig [poets, grap], potsierlijk [Hd. possierlich, van Posse, grap], schots (gew.), raar, sjoeg (mesjokke), een zot, hansworst, nar, paljas, pias, potsenmaker, jeukelaar (gew.), leukerd, keskedie [gew., qu'est-ce que dit], malloot, mallerd, prentenboek, lolbroek, Jack-Pudding, jean potage, Jan Klaassen [oorspr. trompetter van de lijfwacht van prins Willem II; na diens dood ging hij, werkloos, poppenkast vertonen in Amsterdam], malle kwibus/ appie/ beppie, practical joker, rare snuiter, de lolligste thuis, altijd aan het mallen/ zwanzen [Mnl. swantsen, dansen], aan het gekheid uithalen, haalt narrenpoetsen/ oetsen (Barg.)/ geintjes uit, veroorzaakt hilariteit, doet hilarisch, maakt overal een paskwil van [lt. pasquillo, van Pasquino, beeld in Rome waarop men spotdichten aanplakte], scheert [scheren, voor de gek houden] de gek/ zot, maakt spats (gew.)/ lol

overmoedig brooddronken, jannig (gew.), temerair, een durfal, handelt met veel bravade/ grootspraak, kent zichzelf niet meer, wordt overmoedig, de broodkruimels steken hem, pikt een leffie, doet iets met groot lef, haalt een lefnummer/ bravourestuk uit, wil verder springen dan zijn pols (polsstok) lang is, laat de molen door de vang (soort rem) lopen, laat zich nergens door weerhouden (zie ook: `uitbundig' en `getikt')

luchthartig lichthartig, luchtig, wuft, flierefluiter [wellicht van vlierstruik, waarvan kinderen fluitjes maken], luchthart-treurniet, maakt zich overal met een kwinkslag af [Mnl. quincken, zich snel bewegen, dus snelle slag], denkt licht over dingen, neemt dingen lichtjes op, neemt dingen als scherts op, maakt overal een spelletje van, tilt nergens zwaar aan, gaat op toer (gew.), gaat aan het toeren (gew.), gaat aan de zwier/ tril [drillen, zwieren], laat violen/ fiolen zorgen [oorsprong van het gezegde is duister, voor zowel violen als voor fiolen (flesjes wijn of reukwerk?) zijn verklaringen gegeven], bekommert zich nergens om, ligt nergens wakker van, ligt te zooien, ligt keet te schoppen

baldadig [van bal=slecht en daad] handelt goedsmoeds (sic, gew.), ongemotiveerd, zo moedwillig als een var (jonge stier), is zijn moedwil aan het botvieren

ondeugend rakkerige kwajongen, verduivelde/ verhipte/ sakkerse deugniet, nietdeug (gew.), nieweerd (gew.), ondeugd, luifer (gew.), schelm, rakker, rel (veroud., stout meisje), schavuit [Mnl. schovuut, nachtuil (klanknabootsing van vogelkreet)], schavotspijker (ondeugend jongetje, Amsterdams), schooier, stouterd, stouterik, oetst [Hd., Jidd. uzen, Pools uciecha, lol ten koste van anderen], fopt/ bedriegt mensen, haalt deugnietenstreken/ schavuitenstukken/ stoutheden uit, kuurt altijd iets uit, spreekt als een engel en doet als een bengel

waaghalzig een Jantje, waaghals, het hachje van de buurt [wellicht van Mnl. hachte, gevaar], waagt zijn hachje [ouder Nl. pacht, brok, kerf, leven], begeeft zich op gevaarlijk/ glibberig terrein, riskeert/ waagt veel, gedraagt zich op riskante wijze

kwajongensachtig satanse/ seldrementse [verbastering van sacrament]/ weergase/ weerlichtse kwajongen, kwapits [kwaad-i-pits, Mnl. pitse, kneep, streek, gew.], kwapoets (gew.), kwapert (gew.), loop-in-'t-lijntje

frivool wuft

breedsprakig lijdt aan redeneerzucht, praat soeperig/ verbeus/ woordenrijk/ wijdlopig

balorig [Mnl. balhorich, hardhorend, bal = slecht]

vlerkachtig vlerkerig, vlerk [Mnl, vlederik van vleder, vlerk]

debiel achterlijk

naar boven

I-III+
GERESERVEERD, ERNSTIG, NADENKEND

gereserveerd dichtgenaaid, laat niets los, zo dicht als een brief, kleedt zich niet uit vóór het naar bed gaan, vertelt niet alles wat hij weet, bekommert zich om zijn eigen zaken, bewaart distantie, spreekt met reserve, houdt zich van de domme, komt niet los, zwijgt dat hij zweet

ernstig als hij lacht is het Pasen achter zijn oren, als hij lacht sneeuwt het rozen, lacht zelden

nadenkend pensief, peinzer, vaak in gedachten/ gepeins verzonken, in vrome overpeinzingen verzonken, zit altijd te fineren (gew., peinzen)

ingetogen menistenzuster (stemmige vrouw), handelt met continentie (ingetogenheid)

rustlievend op zijn rust gesteld

pietepeuterig teuterig, prutserig, een pietepeut, altijd aan het pezeweven (gew.), houdt zich bezig met viezevazen (gew.)/ wissewasjes

afgemeten prenterig, doet stijfjes/ strak/ effen

naar boven

I+IV-
OPTIMISTISCH, LEVENSLUSTIG, LEVENSKRACHTIG

optimistisch hoopvol, optimist, beziet het leven door een roze bril, ziet de lichtzijde/ zonzijde van het leven, ziet altijd ergens een straaltje licht, koestert hoop, hoopt als de hengelaars, wacht in vertrouwen af, tilt nergens zwaar aan

levenslustig kriel (gew.), tierig, fleurig, wereldsgezind, een bon-vivant, levensgenieter, pallieter [hoofdpersoon roman van Felix Timmermans], uitgaander, uitloper, vervuld van een foie de vivre, heeft schik in het leven, zit te genotteren, gaat aan de rul (veroud., gew.)/ zwier, gaat op scheut (gew.)/ schok (gew.), gaat uit kermissen (gew., veroud.)/ pallieteren, scheert [scheren, doen als] de bonte stier (zet de bloemetjes buiten), sprankelt van levensvreugd/ levenslust, geniet met volle teugen

levenskrachtig straalt levenskracht uit

ondernemend voortvarend, expediet, expeditief, dondersteen, heeft ondernemingslusUondernemingszin, treedt naar buiten, neemt het initiatief, doet wat hem lust, begint altijd met frisse moed, stiefelt [Hd. stiefeln] overal opaf, ziet dingen als een uitdaging

monter pront en kwiek, pront wijf [vervorming van prompt]

vitaal vervuld van levenshonger/ levensdorst/ levensbegeerte/ levensdrang/ levensdrift, laat de moed niet gauw zakken, zet zich snel ergens overheen

slagvaardig is bij de lepel, niet op zijn mondje gevallen, van zessen klaar, heeft een vlotte babbel, heeft zijn bekje goed tot zijn wil, kent zijn les, geeft lik op stuk, weet ik een spijker weet hij een gat, weet zijn tij wel te kavelen, weet zijn slag te slaan, troeft van zich af

heldhaftig durft van alles aan, kan de wereld aan

fier preuts (sic, gew.), trantel [Mnl. tranten, stappen, veroud.], trots, staat met opgeheven hoofd, draagt het hoofd hoog, zijn hoofd staat kroes (veroud., gew.)

ongecompliceerd handelt in eenvoud des harten

koen [vermoedelijk van kunnen] koene ridder

onvermoeibaar

sluw gauwerd, konkelaar [konkel, draai, slag], konkelkous, konkelpot (vrl., gew.), linkmiegel [van link+Michel], linkerd, slijmgast (gew.), sluwerd, loze kreeft (veroud., vrl.), doortrapt mens, sluwe vos, tricky figuur, zo link als een looie deur [Mnl. linc, links, slim, glad, Barg.], de duivel te plat af, heeft altijd een pieskapee (volkst., smoesje) klaar, heeft streken onder zijn staart (gew.), liegt als een advocaat, zit altijd te konkelefoezen [van konkelen en foezelen, slecht werken], speelt de vermoorde/ beledigde onschuld, wiegt iemand met mooie woorden in slaap, weet overal een zet op

gewiekst [wieksen, dialect voor boenwassen], slimbo, slimmerd, gladakker, ouwe rot [vgl. rat], handige bliksem, niet rot, op alles gevat, door de wol geverfd, door de wol heen, redt zich met een handigheidje, kent de loopjes/ kunstgrepen/ trucjes, kan altijd wel iets organiseren/ ritselen/ versieren, weet zich overal uit te redden, veegt zijn eigen straatje schoon (pleit zich vrij)

stoer stoerling, hangt de flinke broek uit

listig loos, hoerenkind (sic), listeling, listigaard, rat, ritselaar, van de ratten geneukt/ gepoetst, zit vol fijnigheden/ listen en lagen/ streken en ranken/ reinardie [als van Reinaert de Vos], gebruikt finten (gew., valse voorwendsels), list en bedrog, komt ergens achter met een slingerslag (veroud., list), heeft boze treken [Mnl. trec(k), o.a. list], weet allerlei vonden, spiegelt/ tovert mensen iets voor

hero´sch heros [Gr. h■ros: held]

naar boven

I-IV-
SOMBER, TERUGGETROKKEN, MENSENSCHUW

somber versomberd, somberman, zit altijd te somberen, kijkt door een donkere bril, ziet iets donker in, voelt zich klote/ kloterig, zijn kompas is verdraaid, zijn gedachtenwereld is van een reviaanse somberheid [in de stijl van Gerard Reve]

teruggetrokken in zichzelf gekeerd, houdt zich schuil/ verscholen/ verdoken, zit in een ivoren toren, trekt zich uit de wereld terug, wendt zich van de wereld af, zondert zich in de geest af, zweert de wereld af

mensenschuw contactgestoord, heeft communicatieproblemen, lijdt aan antropofobie (mensenvrees), gaat op de loop voor mensen, mijdt/ schuwt mensen

verlegen bevangen, honteus, sippig kind, geremd, ongemakkelijk in gezelschap, met zijn houding verlegen, voelt zich ergens als een snoek op zolder

schuchter bleu, blo, blode, blohartig (veroud.), verschuchterd, bloodaard, voelt zich als een reiger op het ijs, voelt zich niet op zijn gemak

schuw spril (gew.), mijde [van mijden, gew.], zo schuw als een ree, een muisje, durft iemand niet in de ogen te kijken, kruipt in zijn schulp (schelp)

bedeesd stamelaar, stameraar (veroud., gew.), stamelkees, staat bedremmeld te kijken [Mnl. dremmen, kwellen, drukken]

futloos pitloos, sijsjeslijmer, Jan Salie [naam ontleend aan flauw-zoete smaak van saliemelk], bij hem is het dood katoen [Hebr. qatan, qaton, klein]

zwartgallig gallig van humeur, niezenproever (zuurpruim), is der wereld gekruisigd [Gal. 6:14, ... door Welken de wereld mij gekruisigd is en ik der wereld.], van de wereld afgestorven, heeft afschuw van de wereld, bezit een zwarte humor

slap slapachtig, slaphartig, slaplendig, verwekelijkt, zwakkelijk, flauwerd, flauwerik, hondelul, sukkel, slaplende, slapjanus, kloef (gew.), schlemiel [Hd. Schlemihl, via Jiddisch uit Hebr. shelo mo'fl, wie niets deugt], tiet, watje, doetje, schuimpje, Jan Joker, Jan Pappelepap, slappe lul, heeft een lakse moraal, heeft te weinig staal in zich, heeft geen veerkracht/ energie

doodverlegen geremd, schutterig, heeft valse schaamte

beschroomd schroomachtig, schroomvol, schrimpeljeus [verbastering v. scrupuleus, gew.], schrimpeljeuzig (gew.), schroomt voor mensen

gecompliceerd doet ingewikkeld/ moeilijk

langzaam lunderaar, talmer, niet vooruit te branden, lundert/ luntert (gew.) maar wat

defaitistisch defaitist

gespleten (zie `schizofreen') wroeter, heeft een innerlijke gespletenheid

willoos ledenpop, marionet, instrument in iemands handen, zombie [term van Afrikaanse herkomst], wordt geleefd

ontwijkend fugitief, evasief, leidt een evasorisch leven, vlucht uit de realiteit, ontvlucht de wereld, ontloopt/ vermijdt/ ontwijkt mensen, vertoont vermijdingsgedrag

schroomvallig schromig, schroomhartig, handelt met pudeur (schroom)

raadselachtig enigmatisch

mysterieus is een mysterie

geheimzinnig geheimzinnig als een commies van staat, zit altijd te smiespelen/ smoezelen, houdt van geheimzinnigdoenerij

defensief gaat altijd in de verdediging

naar boven

I+IV-
IMPULSIEF, BABBELZIEK, KLETSERIG

impulsief handelt in een impuls [Lat. impulsus, stoot, aandrang]/ opwelling/ bevlieging, het hart ligt hem op de tong/ lippen

babbelachtig babbelkous, dille [Mnl. dille, delle, babbelaarster, Barg], poekelaar (Barg.), snateraar, snaterbek, tater, taterbek, tatergat, teut, theetante, babbel van een vent [Lat. babulus, kletser], zit altijd te labben (veroud.)/ lameren (gew.)/ parlementen (gew.)/ plapperen (germ.)/ poekelen (Barg.)/ rallen (veroud.)/ roffelen (veroud.)/ sjouwelen (gew.)/ wauwelen/ snabberen/ snabbelen/ snaterbekken/ snateren/ tateren/ tatelen (gew.)/ suilen (gew.)/ leuteren, zijn babbel staat nooit stil, verbabbelt/ verteut zijn tijd, roert zijn snater/ snavel/ tong/ mond, kan zijn snabbel/ snabber/ snebbe/ tater niet houden, houdt zich bezig met teute], houdt praatjes voor de vaak

babbelziek rammelgat, rammelkees, rammelkont, rammelkous, rammelslag, rammelzak, zit voortdurend te kwetelen [klanknabootsend]/ rammelen, rammelt als een opgewonden machine, babbelt zeven schreefjes (streepjes) uit (langdurig)

kletserig kletsgraag, klessebes, klets, kletskop, kletskous, kletsmajoor, kletstante, kletsmeier, meier, klep, klepper, lariemoer (gew.), lulhannes, luibroer, lulkous, lulla (vrl.), lulleman, lulmeier, oha, ouwehoer, rabbelaar, rabbelkanis, rabbelkous, rabbelzak, sabbelaar, sabberaar, tetoor (gew.), wauwel, wauwelaar, zwam, zwammer, zwamneus, zwets, zwetser, ongesnoerde tong, zit altijd te klessen/ klessebessen/ lariën (veroud.)/ lullen/ meieren/ memmen/ ohaën/ ouwehoeren/ rabbelen/ raffelen/ rappelen/ sabbelen/ sabberen/ wauwelen/ zwammen/ zwetsen, kletst hofjesachtig, wat hij zegt is kletspraat/ lulkoek/ lullage/ lult epraat/ lullepot/ zwets/ gezwets/ zwetserij/ oudewijvenpraat, vertelt oudwijfse verhalen, vertelt praatjes/ sprookjes/ spinrokpraatjes/ prullen (dwaze vooroordelen), praat onnutte klap, kan zijn tetter/ wauwel niet houden, verkletst zijn tijd

dartel dartel als een jonge hond, kriel (veroud.), libertijns, licentieus, weelderig (veroud.), wierig [Mnl. wieren, ronddraaien], spook (sic), dartel kind of meisje, dartelt door het leven

loslippig poekelaar (Barg.), prater, verspreider van valse geruchten, zo dicht als een zeef/ gatenpetiel [gatenplateel, vergiettest, gew.], iemand die poekelt (Barg., doorslaat bij verhoor), heeft een losse tong, praat uit de keuken, klapt uit de school, flapt er van alles uit, brieft/ praat/ vertelt alles over, bazuint/ brieft/ colporteert/ vertelt dingen rond, kakelt/ kletst dingen uit, verbabbelt alles, praat zijn mond voorbij, verklapt/ verraad geheimen, vertelt vertrouwelijkheden verder, zwijgen is zijn zaak niet

hartstochtelijk geëxalteerd, gepassioneerd, kazig (gew.), vol passie, ten prooi aan stormachtige gevoelens, brandt van hartstocht, laat zich meeslepen door zijn hartstochten

intuïtief bezit vrouwelijke intuïtie

nieuwsgierig kijkgraag, kijklustig, greetoor [ouder Nl. greten, begeren, gew.], nieuwsgierig Aagje van Enkhuizen [naar de titel van een klucht uit 1645, "Kluchtig Avontuurtje van 't nieuwsgierig Aegje van Enkhuizen"], curieuze mosterdpot (gew.), altijd aan het snuisteren (gew.)/ snuffelen, handelt uit curiositeit, wil het naadje van de kous weten

handtastelijk kan zijn handen niet thuishouden

wellustig hengstig, sybaritisch [Gr. Subarit■s, inwoner van Subaris, Griekse kolonie in ZuidItalië, bekend om haar genotzucht], voluptueus, zwoel, wellusteling, hengst, hoerenkater, priaap, priapus [Gr. Priapos, god van de vruchtbaarheid], suzannaboef [naar verhaal van Daniël (apocrief aanhangsel) over twee oudsten uit het volk die de schone Suzanna begluren, veroud.], sybariet, oude sater, voldoet aan zijn vuige lusten

parmantig parmantigheidje, parmantje, profetenbees [een balletje zoals Tijl Uilenspiegel maakte van paardenvijgen en dat, keurig verpakt, de gave van profetie gaf aan wie het at, gew.], parmantige vrouw, parmant kereltje, gedraagt zich parmantelijk, stapt als een stotershaantje, doet wijs (gew.)

hip hippie [Am.-Eng. van hip, hep, bewust, ingewijd, nonconformistische jongere]

naar boven

I-IV+
LEGE CEL


naar boven

I+V+
TEMPERAMENTVOL, ONSTUIMIG, WELBESPRAAKT


temperamentvol drukteschopper, vulkaan, heeft een vulkanisch temperament, maakt commotie/ kaskedie/ kaskenade [verbastering van gasconnade, snoeverij], maakt een hoop stennis [mogelijk van standjes, ruzie]

onstuimig impetueus, maakt een hoop beweging, wil kerken verzetten, leidt een turbulent leven

welbespraakt eloquent, gebekt, goedgebekt, welgebekt, welsprekend, zoete prater, goed gemond, flink gemuild, wel ter tale/ tong, rad/ rap van tong, vaardig ter spraak, verbaal begaafd, goed van de kweter [Mnl. queteren, beuzelpraat uitslaan]/ tongriem/ spanader gesneden, onder de tong gesneden, niet onbesneden van lippen [vgl. Exodus 6:11, waar Mozes zegt: .. hoe zou mij dan Farao horen? daartoe ben ik onbesneden van lippen'.], niet op zijn tong/ mondje gevallen, heeft een goede klep, heeft een goed mondwerk, heeft retorisch talent, heeft een gladde/ goede tong, bezit fluxde-bouche/ flux-de-paroles/ volubiliteit/ welsprekendheid, loopt af als een bobijn [Fr. bobine (spoel)], kan de tong goed reppen, kan praten als Brugman [franciskaanse redenaar Johannes Brugman uit vijftiende eeuw], kan zijn woord/ woordje/ zegje doen, men hoeft hem de pip niet af te nemen, praat mensen van de sokken, praat mensen van hun stoel, spreekt vloeiend/ vlot

geestdriftig begeesterd, bevlogen, ijveraar, voorvechter, snel in vuur en vlam voor iets, bezit een heilige ijver, vertelt iets met verve, raakt in vervoering, gaat vol vuur aan de slag, loopt warm voor iets, legt hart en ziel in zijn werk

dynamisch bezit een innerlijk dynamisme, bezit een sterk libido, bezit sterke levensdrift, bezit een ontoombare aard, leeft op zijn toppen, leeft intens, verruimt zijn horizon

beweeglijk kwikzilverachtig, motorisch type, werzelgat, woelwater, net een kakkerlak, zit altijd te zwiebelen/ wiebelen

actief actieveling, doener, bezit dadendrang

vurig flamboyant, hitsig, sanguinisch [Lat. sanguis, bloed], warmbloedig, vol elan, staat in lichter laaie, bezit een laai/ vurig verlangen

vrijmoedig tranquil (sic, gew.), frank en vrij, enfant terrible, heeft een Hollandse tong in zijn mond, bezit liberteit/ stoutheid/ vrijmoedigheid, zegt mensen frank de waarheid, permitteert zich vrijheden, komt rond voor zijn mening uit

direct direct op de man afgaand

strijdvaardig bestrijdt wantoestanden, staat schrap, zet zich schrap

gevat smieg [van smijdig, gew.], ad rem, mondjegauw, rad/ ras van tong, lang niet rottig (veroud., gew.), heeft voor elke naald een draad, heeft voor ieder gat een spijker, heeft altijd een weerwoord, riposteert snel, geeft goed partij, geeft antwoord als een riposte in een sabelgevecht

veerkrachtig bezit veerkracht

ongedwongen informeel, ongedrongen, los en liber, bezit een vrijheid van optreden

geestig snarig [wellicht van snaar, veerkrachtige draad], geestigaard, homme d'esprit, maakt kwinkslagen [Mnl. quinckslag, van quincken, snel bewegen], geeft wisecracks ten beste

bijdehand bijdehandje, duveltje, mondjegauw, platterd, (slim, olijk kind), kleine heks, pertig kind, tuik (gew.) persoon, haai van een wijf, heks van een meid, bij de pinken/ tijd, vies bij, niet van eergisteren, van zessen klaar, melkt niet in zijn mandje, het schemert hem niet

strijdlustig een haan, strijder, vervuld van strijdlust, meet zijn krachten, neemt het tegen anderen op

onbeschroomd schromeloos, beweert dingen met stijve kaken, beweert dingen boudweg

activistisch activist

driest stout en vermetel

vlegelachtig vlegel

schalks schelms, schalkachtig, een schalk, schelm, verschalkt mensen

goochem goochemerd, Gijsje goochem

reislustig

onweerstaanbaar

naar boven

I-V-
TIMIDE, SAAI, TAM

timide beschroomd

saai langdradig, doodbidder, dooievisjesvreter, droogstoppel [Batavus Droogstoppel, figuur uit Multatuli's Max Havelaar, 1860], droogkloot, droogpruim, dooie diender, dove noot (gew.), droge Klaas/ haring, grijze muis, opgewarmd lijk, op sterven na dood, zo droog als een kempstok (gew.), houdt wijdlopige betogen

tam tam als een lam

bezadigd gestadig (gew.), geposeerd, zo kalm als een zalm

lijdzaam lijdelijk, schikt zich lijdzaam, bezit zijn ziel in lijdzaamheid, slikt een moeilijk brok, verduurt een belediging, legt de handen in de schoot, blijft bij moeder thuis, blijft bij moeders pappot

gelaten geresigneerd, wacht gelaten af, laat dingen voor wat ze zijn

bleu schimmelig kind (gew.)

stijf hark, stijve Harmen, houten Klaas, opgeprikte kapel, doet stijfjes

wereldvreemd levensvreemd, weltfremd, buitenstaander, heremiet, kluizenaar, is levend dood, leeft als een non (in een eigen wereldje)

gematigd matig mens

onoprecht te kwader trouw, is aan het vezen, spreekt niet-gemeend, heeft altijd een vaartje (smoesje) klaar, vertoont onwaar gedrag, benevelt/ verzwijgt de waarheid, verkoopt flousjes/ smoesjes, gebruikt foefjes/ verzinsels, gebruikt valse voorwendsels, maakt kromme sprongen, kronkelt zich in allerlei bochten, vertelt menistenleugentjes (halve waarheden, zie ook `achterbaks'), paait zijn geweten, draait rond de pot (gew.), pist om de pot, praat ergens omheen, staat niet recht in zijn schoenen, maakt tierelantijntjes/ smoesjes, zoekt een verleg (gew.)/ uitvlucht/ uitweg, dekt zich met vijgebladen, zoekt vijgebladen, vertoont valse bescheidenheid, doet dingen valsgaweg (gew.), geeft een verwrongen voorstelling van zaken

lijzig een lijs [Mnl. lire, zacht, kalm], lijzebet, sleur (vrl), lange slamier, lang en lijzig persoon

pietluttig mietje, pietlut, pluizer [figuur uit Van Eedens Kleine Johannes], truntaard (gew.), beuzelaar, scherpslijper, letterknecht, treuzelt (sic)/ trunteltltrunt/ beuzelt altijd, harrewart over een geitehaar, twist om de geitewol, doet dingen mannetje voor mannetje, doet dingen met slaafse nauwkeurigheid, legt op alle slakken zout, maakt zich druk om een treusneus (gew.)/ wissewasje/ bagatel [It. hagatella, muntje van geringe waarde], maakt vijven en zessen/ bedenkingen

passieloos zonder passie

naar boven

I+V-
PRAATZIEK

praatziek langtongig, snapachtig, kakel, kakelaar, kalle (vrl., gew.), klapekster, klapmuts, klappei (veroud.), klepdoos, klepmeier, kletskous, kwakkel, kwek, kwalie [Oudfr. quaille. kwartel], kwaliemoer (vrl.), kweb, kwebbel, kwebbelkont, kwetteraar, labbe (gew.), labbei (vrl.), labbekak, labbekakker (sic), rammel, ratel, ratelkous, rebbel, rebbelaar, spraakwaterval, treite (vrl., gew.), veelprater, zit altijd te kawauwen/ kawauwelen (gew.)/ kawetteren (gew.)/ klappeien/ klapaaien (veroud.)/ kwaken/ kwebbelen/ kwekken/ kwekkebekken/ kwetteren/ labbeien/ labbekakken (gew.)/ rammelen/ ratelen/ rebbel en/ snappen/ uieren/ waffelen, heeft veel klaps/ praats/ snaps, heeft een goede klepel, heeft een lange tong, heeft de praat alleen (men laat hem maar praten terwijl niemand luistert), praat anderen doof, praat mensen blaren aan het hoofd, van hem krijg je eelt op de oren, lijdt aan kakelzucht/ snapzucht (veroud.)/ praatzucht, 't is alsof zijn tong aan een slinger hangt, zijn mond gaat als een lazarusklep [klep vroeger door melaatsen gebruikt om voorbijgangers te waarschuwen], men krijgt zijn mond met een strootje open maar nog met geen voorhamer dicht, spreekt met een niet te stuiten verbiage/ woordenvloed, kan zijn kwebbel/ kwek/ rammel/ ratel/ snabbel/ snabber/ snapper/ waffel niet houden

naar boven

I-V+
INDIVIDUALISTISCH

individualistisch individualist, handelt als individu, onderscheidt zich van de massa

naar boven

II Vriendelijkheid


naar boven

II+I+
HARTELIJK, PRETTIG, WARMVOELEND

hartelijk chaleureus, cordiaal, gulaardig, gulhartig, geeft mensen een toef (gew., een hartelijke ontvangst)

prettig

warmvoelend warmhartig, gaat innig met mensen om, geeft mensen een verwarmende sympathie, draagt mensen een warm hart toe

ruimhartig heeft een ruim hart

soepel handelt met souplesse

bereidwillig wilvaardig, geeft dingen geredelijk toe, zet zich voor iets in, doet dingen zonder marren/ dralen/ morren, niets is hem te veel

vriendelijk prevenant (voorkomend), geeft mensen een pluimpje

medemenselijk heeft medegevoel met anderen, toont resonantie voor iemands gevoelens, leeft met mensen mee, schenkt mensen aandacht, heeft een geruststellende houding, zet iemand een stoeltje (op zijn gemak)

fideel tof [Hebr. tob], tofferik, gedraagt zich kedin/ godin [Hebr. kadin, volgens recht en orde, Barg.]

tegemoetkomend komt aan andermans wensen tegemoet

sociaal sociaalvoelend, eigen met anderen, een ubiquist [Lat. ubique, overal], voelt zich overal thuis, heeft gemeenschapsgevoel/ saamhorigheidsbesef, heeft een druk uitgaansleven, behartigt iemands welzijn, kan met mensen overweg/ terecht/ over de baan, kan met anderen opschieten, kan het goed met iemand vinden, maakt zich gemeen met iemand, gaat gemeenzaam met iemand om, ziet mensen, komt onder de mensen, komt met iemand overeen (gew.), leeft in een goede verstandhouding met anderen

vriendschappelijk vriend in de nood, bezit vriendentrouw, schenkt iemand zijn vriendschap, bewijst mensen een vriendendienst, doet zijn vriendenplicht

goedgeefs gevensgezind, milddadig, is een milde hand, geeft met milde hand, schenkt mildelijk

hulpvaardig stut en steun voor anderen, steekt mensen een hart onder de riem/ gordel [in de ME stak een edelvrouwe bij tournooien een ridder soms een stoffen hart onder de riem of gordel ter aanmoediging], spreekt mensen een hart in het lijf, spreekt mensen moed in, geeft mensen een hartversterking, slooft zich voor anderen af, loopt de schoenen van zijn voeten voor iemand, loopt het vuur uit zijn sloffen voor iemand, helpt mensen met raad en daad, springt voor iemand op de ketting [wellicht de ketting die een toegang afbakent], staat voor mensen klaar, staat mensen terzijde, helpt iemand uit de klodden [klodde, verwarde kluwen, gew.]/ nesten, komt op voor iemands belangen, neemt het voor anderen op, helpt iemand te paard, helpt iemand uit de pekel/ put, helpt iemand op de rechte weg, stelt zich in de bres voor anderen, maakt zich sterk voor iemand, steekt een handje uit, maakt zich verdienstelijk, zet zich voor iemand in

sympathiek charismatisch, kapitale/ kostelijke kerel, bezit charisma, vertoont hartverwarmend gedrag

welgemoed

collegiaal goede collega

bereidvaardig volvaardig, doet met alle plezier iets voor anderen

menslievend gesteld op mensen, mensenvriend, een Johannes (vervuld van broederlijke mensenliefde), bezit naastenliefde. apprecieert/ bemint mensen, geeft om mensen, mensen zijn hem dierbaar, voelt genegenheid voor mensen

behulpzaam sterkt iemand de handen [Ezr. 6:22; ... om hun handen te sterken in het werk van het huis Gods, des Gods van Israel. Ook in Jer. 23:14; ... en sterken de handen der boosdoeners ...], leent mensen de hand, biedt iemand de helpende hand, geeft iemand een handreiking, geeft iemand hars op de strijkstok (geeft iets wat men kan gebruiken, ook argumenten), houdt iemand de hand in de rug, wijst mensen terecht (sic), helpt een toetast (handje)

positief positivo, heeft een positieve grondhouding, zegt ja tegen het leven, werkt inspirerend, begeestert anderen

beminnelijk lieftallig

edelmoedig zuivert iemand van alle blaam, springt voor mensen in de bres/ bocht

goedwillig van goede wil

toeschietelijk tractabel, geeft iemand het voortouw

coöperatief werkt mee, geeft opbouwende kritiek

makkelijk heeft nergens problemen mee aangenaam plezierig

geschikt kan goed met mensen opschieten, heeft het helemaal (is ergens zeer geschikt voor)

nobel venerabel (eerbiedwaardig), bezit zieleadel/ zielegrootheid/ zieleschoonheid, verdient zich een stoel in de hemel

aimabel beminnelijk

lief honneponnig, honnig, liefdevol, nuver meisje [Mnl. nu(e)ver, smekend, vleierig, vermoedelijk verband met nijver, gew.], engelachtig lief, lieverd, honnepon, tudebekje (gew.), schattebout, schatje, schat van een mens, stemt iemands hart mild

gemakkelijk doet nergens moeilijk over

royaal lobbig (gew.), laat 't een eind uit de broek hangen (spreidt zijn welstand demonstratief ten toon), zou het hemd van zijn gat weggeven, geeft met royale hand, ziet niet op een gulden

vrijgevig weldadig, weldoener, oostenrijker (Barg., volkst., rijk en vrijgevig), bewijst iemand een weldaad

gul opschepperig (sic), scheutig, schotig, schenkt met kwistige hand

allerliefst

gastvrij
bereidt mensen een gastvrij onthaal, houdt open hof, ontvangt iemand met open armen, toefelt/ vertroetelt mensen, legt iemand in de watten, braadt de boter uit (onthaalt iemand royaal), pakt flink uit

innemend weet mensen voor zich in te nemen

wellevend hoofs, urbaan, hoffelijk, heeft bonhomie [Fr. bonhomme, lett. goed mens], behandelt mensen met wellevendheid

getrouw ouwe getrouwe, handelt (ge)trouwelijk

opofferingsgezind bezit offerbereidheid, offergezindheid, offert goed en bloed voor iemand op, heeft veel voor anderen over

grootmoedig magnaniem, kent geen rancune

offervaardig offert zijn belangen op aan het algemeen welzijn, gaat voor iemand door het vuur

ridderlijk heeft ridderidealen

naar boven

II-I-
NORS, KORTAANGEBONDEN, ZELFZUCHTIG

nors bot, gemelijk, iezegrimmig, ranzig, stierig (volkst.), torf, torve, een bietebauw, bobbekop, boeman, bok, bokkekop, botterik, bullebak, bullebijter, iezegrim [lsengrim, de wolf in de Reinaert, van iser, ijzer + grime, masker], mijter (gew.), petroliepisser, strank [van streng, bars, gew.], stuipekop, zuurmuil, zuursmoel, zuurkijker, zuurpruim, moeilijke pispot, rare bokkinees [verbast. van Boeginees], boeba van een kerel, heeft de (bokke)pruik op, loopt te bokken, zit te mijteren (gew.)/ zuurmuilen/ zuurpruimen, ziet eruit als een bok die knoflook eet, zet een lebbig/ zuur gezicht, zijn gezicht staat op onweer, zijn pruik staat scheef (heeft een slecht humeur)

kortaangebonden kort ingespannen (gew.), kortgerokt

zelfzuchtig als zijn eigenbelang op 't spel staat kent hij niemand, zorgt eerst voor moeders kind (zichzelf), het hemd is hem nader dan de rok, zoekt zijn eigen voordeel, wil voor iemand geen vinger in de as steken, laat mensen in hun hemd staan, laat mensen in de kou staan, heeft niets voor een ander over, laat mensen aan hun lot over, laat iemand in zijn eigen vet gaar smoren/ stoven, laat iemand in zijn eigen sop gaarkoken, laat iemand stikken, steekt geen vinger voor iemand uit

kortaf zegt dingen knakaf (gew.)/ kortweg

stuurs stoer (sic), buldog, os (gew.), ossekop (gew.), bul van een vent, zijn hoofd staat kroes (veroud., gew.), heeft een kwaaie rul (gew., bui)

ontoeschietelijk

onhartelijk

intolerant tolereert/ verdraagt weinig, kan weinig van iemand hebben

sceptisch scepticus, onder geen hen gebroed, laat zich niet beetnemen, handelt met scepsis [Gr. skepsis, onderzoek], betwijfelt de waarheid van uitspraken, heeft zijn twijfels over veel dingen, zet overal vraagtekens bij, moet het allemaal nog zien, neemt dingen met een korreltje zout

ongenaakbaar niet toegankelijk, niet te benaderen, trots, men heeft geen vat op hem

superindividualistisch superindividueel

ondankbaar ondankbare hond

kil gevoelsarm, gevoelszwak, reptiel, heeft kilkoude blikken, heeft een koud/ onaandoenlijk/ onbewogen/ verkild gemoed

onvriendelijk drollig (sic), gemelijk, doet lelijk tegen mensen, zegt dingen lompweg, zit mensen te pikken, maakt pisserige opmerkingen

onsympathiek onplezierig

nurks ijsbeer, ijze(r)bijter (gew.), nurk

muggezifterig chicaneur, criticaster, haarklover, knopenknauwer (gew.), kommaneuker, miereneuker, muggezifter, negenoog, peuteraar, pietjesneuker, punaisepisser, punaisepoetser, punaisezeiker, punaisezoeker, raisonneur, zemelknoper, altijd aan het ergoteren [Lat. ergo, derhalve]/ miereneuken/ muggeziften, heeft altijd een ditje en een datje, heeft altijd wat aan te merken, maakt chicanes/ haarkloverijen, heeft byzantijnse redeneringen, er loopt hem een luis over de lever (maakt zich kwaad over een kleinigheidje), heeft overal een hoog woord over, heeft veel aan te merken, zoekt knopen in biezen

onwelwillend niet bereid iets voor anderen te doen

star robotachtig, stereotiep, systeemdenker (denkt in systemen zonder rekening te houden met factoren van buiten het systeem), gedraagt zich gedwongen/ krampachtig, laat alles bij het oude, doet dingen oudergewoonte, werkt onder systeemdwang, kan zich niet losmaken van eenmaal aangenomen systeem

ijskoud ijskonijn, ijskouwe, heeft een hart van ijs, heeft vissebloed

naar boven

II+I-
BESCHEIDEN, ZACHTMOEDIG, GEDULDIG


bescheiden modest, heeft niet veel nodig, houdt zich op de achtergrond, blijft achter de schermen, bemoeit zich met zijn eigen bemoeisels/ zaken, houdt niet van deftigheid/ opsnijderij, effaceert zich (cijfert zich weg), weet zijn plaats, houdt niet te dicht aan de wind (verlangt niet veel)

zachtmoedig zachtmoedig als een duif, loboor, Joris Goedbloed, lobbes van een vent, goeie sul, heeft een evangelische zachtmoedigheid, krenkt niemand een haar op het hoofd, doet geen vlieg kwaad, leeft als een lam, leeft met iedereen in vrede

geduldig geduldig als Job, heeft een engelengeduld/ jobsgeduld/ lammerengeduld, heeft het geduld van Job [O.T.: Job 1], heeft een zitgat, heeft zitvlees, handelt met patiëntie

vredelievend pacifiek, vredesgezind, een vredesapostel, vredestichter, pacifist, duif onder de haviken, man van de vrede, brengt partijen tot verzoening, komt sussend tussenbeide, sust/ sussendeert mensen

sereen heeft een serene gemoedsrust, leeft in sereniteit

pretentieloos heeft geen pretenties

naar boven

II-I+
BAZIG, SCHREEUWERIG, DOMINANT

bazig jannig (gew.), imperieus, gebiedend, een haalover (veroud.), manwijf, haantje, hollewaai (gew.), gebroekt mens, de baas in huis, heeft de babbels, maakt de dienst uit, heeft de broek aan (van vrouwen gezegd), scheert (lijkt op) de haan, speelt de baas, dicteert/ beveelt anderen, zet mensen onder druk, zijn haan moet koning kraaien, voert de plak (oorspr. strafwerktuig van schoolmeesters), houdt iemand onder de plak, laat iemand opzitten en pootjes geven, wenst op zijn wenken te worden bediend

schreeuwerig brulaap, brulbek, honderib, bullebak, donderaar, krijter, krijtezel, schreeuwlelijk, kwaker, raasbol, schreeuwbek, schreeuwerd, schreeuwmuil, schreeuwsmoel, tuiter, zet altijd een grote klok op (veroud.), bij hem is 't veel geschreeuw en weinig wol

baasachtig wil de baas zijn, voert de vlag

dominant doordrammerig, drammerig, imponerend, imposant, drammer, doordrammer, drijver, doordrijver, leidersfiguur, haantje, baaivanger (gew.), haantje-vooruit, kobber, haantje/ Pietje de voorste, toongever (persoon naar wie men zich richt), geboren leider, is zeer aanwezig, de aas van het spel (gew.), leider, bezit leiderscapaciteiten, heeft overwicht/ overtuigingskracht, maakt zich breed, doet zich gelden, domineert zijn omgeving, beïnvloedt mensen, bluft/ overbluft/ overblaft/ overdondert/ overduvelt/ overheerst/ overkraait/ overschreeuwt/ verhabbezakt mensen, walst iemand plat, kletst anderen onder tafel, houdt zelf de lijnen in handen, speelt de eerste viool, voert het hoogste woord, oefent invloed uit, doet zijn invloed gelden, gaat op de stoel van een ander zitten, heeft een suggestieve invloed, trekt de verantwoordelijkheid naar zich toe, trekt het gesprek/ applaus naar zich toe, maakt de dienst uit, timmert aan de weg, neemt het voortouw, verplicht iemand aan zich, legt anderen verplichtingen op, windt iemand om een vinger, voert de boventoon, zet de toon, geeft de toon aan, weet mensen voor zich te winnen, weet mensen voor zijn belangen te winnen

heethoofdig furieus, cholericus, heethoofd, raakt verhit, van de duivel bezeten, altijd aan het sakkeren/ vloeken, heeft een sanguinisch temperament, schiet in een Franse col■re (gew.), schiet in een furie, gaat te keer als een furie, gaat vervaarlijk tekeer, loopt met het hoofd tegen de muur, loopt met de kop tegen de muur, schreeuwt moord en brand

heftig hevig, violent, altijd aan het schonen (volkst., heftig praten)

heetgebakerd een kokend/ blikken keteltje (zo koud, zo heet), heeft het grootste gelijk van de vismarkt, schreeuwt om te overtuigen, verliest zijn bedaardheid, geraakt in blinde woede/ razernij, maakt rumoer om niks, schopt een standje, schopt herrie/ kabaal

bedilzuchtig kibbelig, zifter, bediller

eigenwijs betweterig, neuswijzig, eigendunkelijk, eigenmachtig, een protocol (gew.), betweter, niet te overtuigen, altijd aan het protocollen (gew.)/ tegenspreken, weet alles beter, tegen hem valt niet te redeneren, slaat goede raad in de wind, spreekt altijd vierkant tegen

agressief agressieveling, barribaal [vgl. Mnl. Barlebaen, naam voor de duivel], bullebak, mepper, verscheurend dier, direct laaiend van woede, attaqueert mensen, maakt mensen bang, bedreigt/ belaagt mensen, vliegt iemand naar de keel, vliegt iemand in de kuif, valt anderen lastig, gaat mensen te lijf, maltraiteert/ molesteert mensen, pepert (gew.) mensen, ranselt/ rost mensen af, slaat mensen rot, slaat er op los, tackelt iemand, valt mensen aan, timmert er op, legt een blaam op iemand, wil bloed aan de paal (sportuitdrukking bij voetballen), zijn woorden zijn geselslagen, geeft peper (gew.), doet iets met geweld, bijt reuen en teven, laat niemand ongemoeid, jaagt iemand schrik aan, jaagt iemand de stuipen op het lijf, maakt iemand vervaard, laat zijn tanden zien, maakt zijn tanden bloot, kan zijn handen niet thuishouden, valt op iemand gelijk de duivel op Geraard (gew., geeft iemand er ongenadig van langs)

vinnig spichtig (sic), helleveeg [Mnl. helle +vegen, aantasten], karonje [It. carogna, aas, liederlijk mens], katijf [Mnl. catijf, o.a. ellendeling], feeks, trijp, loeder, pikvin [gew., vrl.], geen katje om zonder handschoenen aan te vatten, heeft een naaldscherpe tong, heeft een scherp bekje, heeft een naaldscherp nebje, heeft een tong als een scheermes, bijt van zich af, spuwt gift en gal, zijn tong is een scherp sabeltje, valt scherp uit tegen iemand

bedillerig bedrijfal, albedil, albeschik, betuttelaar, vermaner, zedenmeester, beknibbelt, betuttelt mensen

hoogdravend bombastisch [bombast is oorspr. stof voor schoudervullingen]

fanatiek die-hard, fanaat, fanaticus, fanatiekeling, freak, geestdrijver, zeloot [chr. Lat. zelotes, naijverig]

strijdzuchtig altijd aan het querelleren, confronteert mensen met hun gebreken [confronteren door Hooft in zijn Neederlandse Histoorien (derde druk, 1677) ooit letterlijk uit het Latijn vertaald als `bevoorhoofden' (Hans Heestermans in Onze Taal, juni 1996)]

wijsneuzig wijzig, alweter, filosoof (sic), Jan Weetal, wijshoofd, waanwijze, wijsbek, wijsneus, wiseguy, zo wijs als Salomo's kat, meent de wijsheid in pacht te hebben, moet altijd het laatste woord hebben

vechtlustig draufgiinger, vechtjas, kemphaan, knokker, matter, renommist, vechtersbaas, sabreur, houwdegen, smijter (veroud.), smijtersbaas, vuurvreter, altijd aan het bakkeleien/ looien (Barg.)/ matten/ kleunen (volkst., gew.)/ rammenassen/ rammelassen (Barg.)/ vechten, heeft een vechtersnatuur, bezit stootsheid/ vechtlust, vecht dat de kraaien om de brokken komen, meet zich met anderen, vecht een robbertje, verkoopt iemand een oplawaai, zoekt niets dan wonden en builen

hardhandig

agitatorisch agitator, onruststoker, strooit mensen peper in hun gat

krijgszuchtig oorlogszuchtig

demagogisch een tribuun [oorspr. was de tribunus voorzitter van een der tribus, stammen waarin de Romeinse patriciërs waren verdeeld], demagoog, volksmenner, pleegt demagogie, handelt/ spreekt voor de tribune (appelleert aan de gevoelens van de massa)

geraffineerd berekenend, cijferaar, mefisto [Mefistofeles, duivel in Faustverhaal], bespeelt mensen, speelt mensen tegen elkaar uit, weet zijn charmes uit te buiten, laat een ander de kastanjes uit het vuur halen [naar fabel van Lafontaine, waarin een aap de poot van een naast het vuur slapende hond gebruikt om daarmee kastanjes uit dat vuur te halen]

snood sinister [Lat. links], een aterling [Mnl. aster, etter], snoodaard

bezeten frenetiek, obsessief, is ergens betingeld achter (gew.), is ergens bezeten van

mondain werelds

naar boven

II+II+
MILD, VREEDZAAM, GOEDHARTIG

mild liberaal (sic), strijkt met de hand over het hart [wellicht een gebaar waarmee men het hart week maakt]

vreedzaam vredig, houdt niet van vechterij, lost geschillen langs vreedzame weg op

goedhartig een belie (gew.), savooi (vrl., gew.), gesjiewes [Jidd., Hebr. gasjibot, voortreffelijkheid], goedbloed, goedzak, goedhals, goeierd, vlaai, heeft een goed hart, heeft een hart van koekebrood (Belg.), zal het kwaad niet in de wereld brengen

inschikkelijk faciel, gemakkelijk, schikkelijk, gevoegzaam, plooier, schipperaar, heeft een conciliante houding, tot toenadering bereid, heeft consideratie met anderen, is te vinden, laat zich vinden, plooit/ regelt/ richt/ schikt/ voegt zich naar anderen, gooit het op een akkoordje (akkoord zijn, in overeenstemming met de waarheid of regel), pleegt vroom bedrog, misleidt iemand met goede bedoelingen, je kunt met hem lezen en schrijven, legt zich gemakkelijk bij iets neer, schikt zich in het onvermijdelijke, weet iets zo te plooien dat iedereen tevreden is, laat zich snel tot iets pr‚teren/ overhalen/ overreden, laat iemand het rijk alleen, spreekt niet tegen, schikt iets in der minne, laat zich aan een stro binden (gemakkelijk weerhouden), laat mensen de losse/ vrije/ volle toom, laat anderen hun tuil tuilen (gew., hun gang gaan), laat mensen hun zin doen, laat mensen hun tuimen (gew., kuren) uitwerken, laat mensen uitrazen, weet te transigeren (schipperen), komt tot een vergelijk met mensen, treedt verzoenend/ verzoenlijk op, legt iemand geen steen/ vingerbreed in de weg

vergevensgezind vergeeflijk, sans rancune, ziet veel door de vingers, pardonneert/ vergeeft mensen iets, vergoelijkt/ verschoont iemands gedrag, doet een oogje toe, schenkt iemand vergeving/ vergiffenis, voor hem is iets snel vergeten en vergeven

schappelijk handelt civiel (billijk), maakt het schappelijk met iemand

duldzaam dulder, duldt veel van anderen

goedaardig goelijk, is zo kwaad nog niet, is de kwaadste niet, heeft geen druppel kwaad bloed in zijn lijf

welwillend benevolent, welmenend, geheel en al oor voor anderen, mensen ter wille, van goede wil, bedoelt het goed met mensen, handelt met faveur/ welwillendheid, behandelt mensen goedgunstig, schenkt mensen gehoor

barmhartig goedertieren, liefdadig, liefderijk, barmhartige Samaritaan [Luc. 10:30-37, een slachtoffer van een roofoverval werd verbonden en naar een herberg gebracht door een Samaritaan nadat hij eerder noch door een priester, noch door een Leviet was geholpen], engel van een mens, troostende engel, troost en steun voor anderen, gedraagt zich rassurant/ geruststellend, erbarmt zich over anderen, houdt mensen de hand boven het hoofd, neemt mensen onder zijn hoede/ vleugels, lenigt iemands nood/ smart/ pijn, verdrijft andermans zorgen, spreekt vertroostende woorden, geeft mensen vertroosting, verzacht iemands leed, biedt anderen zieletroost

genadig laat genade voor recht gelden

naar boven

II-II-
ONINSCHIKKELIJK, STIJFHOOFDIG, ONTOEGEEFLIJK

oninschikkelijk schikt zich niet naar anderen

stijfhoofdig steilorig, een steiloor, trekt de onderlip op

ontoegeeflijk geeft niet gauw toe

koppig koppig als een muilezel/ var (gew., jonge stier), hardhoofdig, protocollig (gew.), stijfhoofdig, stijfkoppig, stijfzinnig, een dein [Mnl. samengetrokken uit degen, knaap, koningszoon, ridder, held; gew.], deinoor, deiner, dikkop, hardkop, hardebol, kop, houtkop, keikop, koppigaard, kopstuk, stijfhoofd, stijfkop, heeft een hoofd, heeft een stijve/ harde/ onverzettelijke kop, heeft bokkekuren, er zit een Friese kop op, toont een kop, houdt iets altijd stijf en strak staande, staat stijf op zijn stuk

onverzoenlijk implacabel, onverzoenbaar

verbeten handelt met verbeten woede, werkt met verbeten ijver

wraakzuchtig wraakgierig, vol ressentiment, haalt zijn aas terug (wreekt zich), rekent met iemand af, brandt van wraak, neemt wraak, pepert mensen iets in, pakt/ plaagt/ scheldt terug, geeft iemand een trap na, treft vergeldingsmaatregelen, zoekt verhaal bij iemand, heeft wraakgedachten, laat zich leiden door wraaklust, zet mensen iets betaald

twistziek twistgierig, vechtachtig, warziek, scheurziek (geneigd tot het zaaien van tweespalt), bonjemaker, harrewarder, herriemaker, herrieschopper, twistzoeker, twistmaker, twiststoker, altijd aan het harrewarren kissebissen/ kribbebijten [eig. van paarden of ezels die van verveling in de krib bijten]/ redetwisten/ rekkebekken (gew.)/ wrijten/ stechelen, maakt bonje/ herrie, twist om een haverstro, kabeelt (gew., twist) om niets, maakt een tempeest van jewelste, zit iemand in de veren, maakt wissewasjes, zoekt twist/ ruzie

kwaadaardig schimpig (veroud., honend), spinnig, spinnijdig, toornig, een harpij [Gr. myth. godin van de storm in gedaante van een roofvogel met meisjesgezicht en armen die in klauwen eindigen], Xantippe [vrouw van Gr. wijsgeer Socrates (▒ 469-399)], hen met sporen, horzel/ vel van een wijf, lelijke prij, slang van een vrouw, nijdige tiet, heeft een slangenaard, heeft te veel wit in de ogen, blaft/ grauwt anderen aan, snauwt/ zeikt mensen af, kaffert mensen uit, maakt guicheltjes (gew., honende grimassen), maakt iemand uit voor honderd en tien, geeft mensen een kat [Barg. bekattering (bekeuring), afgeleid uit Hebr. megatreig (Satan)], geeft mensen hun vet [eig. gezegd van gebraad dat zichzelf niet bedruipen kan; ironisch voor personen, geeft iemand zijn deel], geeft iemand zijn erwten/ kersen/ zaad/ soep/ haver/ saus, geeft iemand een lik/ veeg uit de pan, geeft iemand de wind van voren, schept iemand zijn peeën op, schept iemand zijn soep uit, vult iemand zijn maatje, veegt iemand de mantel uit, borstelt/ klopt iemand de pels uit, bijt iemand zijn neus af, wast iemand de oren, rost iemand af, vloekt mensen stijf, blaft/ brult/ snauwt mensen toe, vetert/ vloekt iemand uit, hoont mensen, kraakt/ kamt anderen af, komt iemand te na, schokkeert (gew., beledigt honend) mensen, schimpt op mensen, smaadt/ verguist mensen, haalt iemand door de wringer, geeft iemand schimpscheuten

naar boven

II+III+
ZORGZAAM, GOED, BELEEFD

zorgzaam weigerlijk (sic, gew.), bezorgd om anderen, een zorg, vaderfiguur, anderen tot steun, heeft verzorgingsdrift, behoedt/ beschermt/ beschut/ ondersteunt/ onderstut/ stoept (gew.)/ sterkt/ troost mensen, zit met iemand in (gew.), laat zich iets aan iemand gelegen liggen, houdt er de moed bij iemand in, ontfermt zich over anderen, encourageert mensen (moedigt mensen aan), geeft iemand een steuntje in de rug, geeft zich met toewijding, betoont vriendenzorg, laat mensen niet zakken, bekommert/ keert zich om mensen, houdt iemand de hand boven het hoofd, houdt de hand aan iemand, zorgt voor mensen, moedert/ waakt over mensen, schraagt iemands moed/ hoop, schraagt iemand in zijn voornemens, stimuleert mensen

goed deugdelijk, een bovenste beste, goed als brood, door en door goed, is er een van de bovenste plank [op de bovenste legplank in kast ligt wat alleen voor bijzondere gelegenheden uit de kast wordt gehaald, het (bovenste) beste], zonder gebreken, deugt, heeft geen verkeerd haar, heeft een hart van goud, bewandelt het pad der deugd, zijn hart is goed geplaatst

beleefd honnet, neemt de egards in acht, handelt met reverentie/ ontzag/ eerbied

attent loopt het vuur uit zijn sloffen voor anderen, voorkomt iemands wensen

deugdzaam deugdlievend, deugdrijk, onkreukbaar, met alle deugden begaafd, heeft hoge zedelijke beginselen, ligt recht in bed, leidt een onberispelijk leven, maakt een goed bestek, gedraagt zich zoals het betaamt, betreedt/ bewandelt het pad der deugd [naar Ps. 1], doet alles met voeg (zoals het hoort)

fair handelt naar eer en billijkheid

edel edelaardig, edeldenkend, hoogstaand, heeft een edele inborst, handelt uit een verhevenheid van karakter

redelijk raisonnabel, billijk, luistert naar rede, geeft alle redenen plaats (gew.)

tactvol doet dingen met tact en beleid

fijngevoelig treft altijd de juiste toon

beschaafd geciviliseerd, gecultiveerd, gedistingeerd, welopgevoed, voornaam [van voor en nemen, `vooraan genomen'], sophisticated [Gr. sophos, ervaren, deskundig, wijs], overbeschaafd, handelt met distinctie/ onderscheiding, man van cultuur, op en top een heer/ dame, heeft damesachtige manieren, heeft innerlijke beschaving, geeft dingen een persoonlijk cachet/ stempel, neemt de parlementaire vormen in acht, omzichtig en beschaafd, drukt zich parlementair uit

fijnvoelend kies in zijn optreden, heeft gevoel voor nuance, weet te nuanceren

rechtschapen goedwillend, verdienstelijk, loffelijk, lofwaardig, lovenswaardig, rekkelijk (veroud.), weldenkend, welgeaard, man van de echte stempel, draagt het hart op de rechte plaats

eenvoudig simpel, slecht (veroud., gew.) in zijn doen en laten, kind in de boosheid

zelfopofferend zelfverloochenend, handelt met zelfverloochening, vergeet zijn eigen belangen, verloochent zich ten behoeve van anderen, handelt met verzaking van het eigen ik

voorkomend respectvol, respectueus, behandelt mensen met onderscheiding/ voorkomendheid, koestert respect voor anderen

hoffelijk cavalier, bezit ridderdeugden, benadert mensen op heuse wijze, benadert mensen met politesse, benadert mensen naar ridderaard

trouwhartig trouwe hond, ziende blind, goed van vertrouwen, bezit hondetrouw, schenkt mensen zijn vertrouwen, doet wat zijn hart hem ingeeft, heeft een blind vertrouwen, gelooft in mensen, vertrouwt mensen blindelings, handelt geen kwaad vermoedend

oprecht echt, geloofwaardig, ongeveinsd, oprecht, waarachtig, Pietje/ Jantje rechtuit, tot geen plooien in staat, bezit een niets ontziende waarachtigheid, heeft zuivere bedoelingen, wat hij doet is oprecht gemeend, dient de waarheid, meent wat hij zegt, speelt open kaart, speelt de kaart(en) op tafel, legt zijn kaarten bloot, spreekt zonder vleien, spreekt de platte/ nuchtere/ naakte/ zuivere/ enkele waarheid, gaat op rechte wegen, zijn gedrag getuigt van sinceriteit, steekt zijn mening niet onder stoelen of banken, handelt te goeder trouw

ootmoedig ootmoedig van hart, maakt zich klein, handelt in ootmoed [oot komt vermoedelijk van het mnl. ode, gemakkelijk, en moed], submitteert zich aan anderen

minzaam een charmeur, spreekt als een dominee, spreekt op een domineestoon, patroniseert mensen

trouw

onbedorven innocent, saturnisch, eenvoudig, als een onschuldig kind

achtenswaardig man van eer/ tref (gew.)

hoofs vormelijk

naar boven

II-III-
EGOCENTRISCH, TEGENDRAADS, ONTACTISCH

egocentrisch ikkerig, ikzuchtig, monadisch [monade, ondeelbaar bestanddeel van stof of geest, vlg. Leibnitz], solipsistisch [Lat. solus, alleen+ipse, zelf], een selfkicker [naar Johnny van Doorn die zich Johnny de Selfkicker noemde], egotripper, zichzelf het naast, alleen met zijn eigen winkel bezig, doet alleen wat hem in zijn kraam te pas komt, het hemd is hem nader dan de rok, zit altijd te navelstaren, op zichzelf gericht, doet aan navelkijkerij, preekt voor eigen parochie, houdt met niemand rekening, gaat op in zelfbeschouwing/ zelfbespiegeling

tegendraads oelepetoet (gew.), tegen de draad [eig. tegen loop van het weefsel, de draden in], heeft de geest van tegenspraak, komt met anderen in aanvaring, komt iemand dwars voor de boeg, contrariëert/ dwarsboomt [eig. boom dwars over de weg leggen] mensen, zet iemand de voet dwars, zit mensen dwars, vaarwateriseert mensen, zit in iemands vaarwater, rijdt mensen in de wielen, gaat overal tegenin, houdt tegenpraat, spreekt/ pruttelt/ spartelt/ sporrelt/ sputtert/ stribbelt altijd tegen

ego´stisch eigenzuchtig, egoïst, steekt geen hand voor een ander uit, handelt uit eigenbaatleigenbelang/ eigenbehoud

tactloos ontactisch, ontactvol, heeft niet de juiste tactiek, heeft weinig tact, prikkelt mensen tot het uiterste, trapt mensen op de tenen/ eksterogen

hooghartig hooggezind, laatdunkend [Mnl. hem laten dunken, zich verbeelden], een trotsaard, op zijn rang gesteld, heeft een koude/ ongenaakbare trots, heeft een herrenmoral [Nietzsche, `Jenseits von Gut und B÷se', Werke 7, 239], heeft een soevereine/ verheven minachting voor mensen, kijkt laag op anderen neer, vernedert mensen

onhoffelijk onridderlijk

gewichtigdoenerig voelt zich branie [Maleis, berani, dapper]

harteloos laat zijn hart nooit spreken

onaangenaam naar [Mnl. nare, naer, nauw, eng, akelig] spook, braakmiddel, nachtmerrie, takkelijer, takkewijf [voorvoegsel van Frans, attaque, aanval], naarheid, naarling, naaroog, versjteert [Jidd. van Hd. verstoren] de boel, verveelt anderen [Mnl. vervelen is vermenigvuldigen, teveel, dus onaangenaam voor anderen]

schofterig ploertachtig, ploerterig, ploertig, schoft, Belialskind, duivelskind, slechterik, beroerling, kotshommel, kotsvent, kotspoeder, pleuter, ploert, plug (veroud.), plurk [ploert, schurk], uilebol, klootzak, haalt schoftenstreken uit

onbeleefd onwellevend, onbeleefderik, vlerk

oneerbiedig behandelt mensen zonder enig egard, spot met God en zijn gebod

opschepperig brallerig, grootsprakig, janachtig, poenig, protserig, blaffer (gew.), blinkerd (gew.), boffer (gew.), braller, grootsmoel, grootspreker, hoogstapelaar [Hd. HochstapIer], Jan Kalebas, kanenbrader, kanebraaier, lefgozer, lefhebber, lefmaker, levenmaker, ophakker, opschepper, windbuil, parademaker, pietmaker (gew.), pocher, poen, pral, protser, renommist, roemer, snakker (gew.), snoever, stoffer, windhapper, windmaker, windzak, floddermadam, doet zich voor als dame, een mijnheer van zonderland, kale pronker, echte Jan, is altijd een rad aan het slaan, aan het jannen/ geuren/ uitpakken/ prallen/ protsen/ renomm eren/ snakken (gew.)/ snarren (gew.)/ stoefen/ stoffen [vermoed. oudfr. estoffer, optooien]/ ophakken/ opscheppen, is met spek aan het schieten [men heeft vermoedelijk ooit echt met spek geschoten om brand te veroorzaken], heeft pietlut op zijn lijf, heeft een hoop kouwe drukte, bakt ze bruin, snijdt de kaas, hangt de grote Jan uit, zijn land ligt in zijn schoenen, maakt een hoop parade, bouwt een toer, probeert indruk te maken

onbeschoft buffelachtig, bosuil (gew.), buffel, koeier (gew.), molferd (gew.), onbeschofterik, rauwelaar (gew.), rinoceros, vierkante boer, is in het bos gekweekt, gedraagt zich of hij aan het hof van Jan Vlegel is opgevoed, scheldt iemand de huid/ kas vol, insulteert mensen, bekt mensen af, jouwt/ moert/ kaffert mensen uit, geeft iemand op zijn kloten, scheldt iemand uit voor al wat lelijk is, scheldt iemand de pochel vol, geeft iemand een vuile mond, richt een scheldkanonnade op iemand, schrolt/ schimpt op mensen, zegt sottises (beledigingen) tegen mensen, maakt/ geeft schandaal

verwaand hoogborstig, kakkineus, kroppig (gew.), kwasterig, suffisant, ingebeelde gek, opgeblazen kwast, kakmadam, kropdoffer, raisonneur, denkt de wijsheid in pacht te hebben, loopt altijd te kraanhalzen (gew.), loopt met het hoofd in de nek, heeft het hoog in de bol, heeft eigenwaan/ inbeelding/ schijterij, heeft veel stront/ kak op zijn lijf, heeft veel stront/ kak aan zijn gat (gew.), heeft het hoog in zijn ster, heeft pretenties, slaat zich op de borst, klopt zich voor de borst, kan het gras horen groeien, zet veel op zijn hoofd, zet een hoge borst op, zet een krop op, zijn gedrag is maar schijterij, loopt naast zijn schoenen, loopt met het hoofd in de sterren

dikdoenerig patserig, een ambrasmaker [Fr., faire l'embarras, gewichtig doen, gew.], druktemaker, dikdoener, patser, patstrapper, ploert (sic), vol bravade/ opschepperij, altijd aan het zwetsen en pochen, altijd aan het swietslaanl zwiertslaan, hangt de grote meneer uit, zit voortdurend te zwatelen, zit hoogdravend te kletsen, heeft een boerenhoogmoed, heeft de trots van een parvenu, heeft kale/ kouwe kak, heeft een hoop kouwe/ kale drukte, heeft spats [Hd. Spasz, me. Lat expassio, het uitspreiden]/ drukte/ ophef/ inbeelding/ spatjes/ spatsies/ kapsones [Hebr. ga'awtanut, hoogmoed], heeft een hoop swiet (gew.)/ zwiert (gew.), gebruikt dikke woorden, doet dik, zijn gedrag is een hoop op een klein schoteltje, plaatst/ rijdt/ speelt zich in de kijkerd, maakt een hoop poeha [boe+ha]/ poespas, leeft op grote voet [voet heeft hier betekenis van grondslag, steunpunt]

onbescheiden immodest, weet zijn plaats niet

eigenaardig is een krates [KratŠs, filosoof uit Gr. Thebe, door ongeluk verlamd aan onderlijf; hier weliswaar eigenaardig maar niet mismaakt]

vulgair laag-bij-de-gronds, gebruikt vulgarismen

opdringerig te eigen, tafelspringer (voert in café's en vergaderingen het hoogste woord), heeft zijn mond in allebei zijn handen, wil het hoogste woord voeren, dringt/ kruipt voor, plaatst zich op de voorgrond, wil vooroplopen, vraagt aandacht, drukt anderen weg, dringt zich op, heeft de praat alleen, draait zijn gat overal in, kijkt iemand in zijn kruis (beloert iemand opdringerig), slaat overal zijn slabbaris in [humorist. verlenging van slabber, tong], bemoeit zich overal ongevraagd mee, steekt zijn snufferd/ mond overal in, wil meepraten

ruw rouw, cru, ruwe bonk, Hottentot, kruier, manskerel, ribbemoos [Rotwelsch (Duitse dieventaal) Rebmose, vermoedelijk van Rabbi Mozes die de stenen tafelen in drift kapot gooide], rouwdanus [Eng. row-de-dow, lawaai], rouwdouw, smakkerd, smeerlap, altijd aan het rouwdouwen

spotziek spotachtig, spottig, spotlustig, flessentrekker (sic), meesmuil, momus [Lat. Gr. Momos, god van spot en schimp], spotboef, spotgeest, spotter, spotvogel, spotmeeuw, zit altijd te treiten (gew.), zit bitter te spotten/ schamperen/ schompermuilen (veroud.), veegt zijn botten [Fr. botte, laars] aan iemand (gew.), zet mensen voor aap/ gek/ paal/ schut, zet iemand verschut (eig. gevangen), zet iemand te kijk, zet mensen op de pot, zet mensen te kakken, zet mensen in de zeik, maakt mensen belachelijk, steekt de draak met mensen [vgl. St.-Joris, die de draak doodde], neemt iemand op de hak, haalt mensen erdoor, zet iemand in zijn hemd, neemt mensen op de korrel (richtmiddel op vuurwapen), nagelt iemand aan de paal (schandpaal), ridiculiseert anderen, scheert [Mnl. scher(r)en, baard afsnijden] iemand zonder zeep, scheert de gek met mensen, drijft de spot met mensen, lacht mensen in het gezicht uit, lacht mensen vierkant uit, schijt (gew.)/ sliept mensen uit, verschut mensen, wijst iemand met de vinger na, maakt zich vrolijk over iemand, houdt mensen voor de zot, schampt [oudfr. escamper] op iemand, geeft iemand een schamp/ schampscheut, steekt de tong uit tegen iemand, spreekt raillerend, lacht sardonisch [Lat. Sardonius risus, Sardinische lach, vertaling van Gr. Sardanios gelos, bittere lach, het eten van de Sardonia herba, een ranonkel die op Sardinië groeit, veroorzaakte verwringing van de gezichtsspieren], persifleert iemands gedrag, zit vol reinardie [als van Reinaert de Vos]/ spotzucht/ spotgeest/ spotlust, zegt dingen spotswijs/ spottenderwijs, spot met andermans mening, viert zijn spotzucht bot

grof goor, horribel, rauw, plomp, beestmens, goorlap, goorling, plomperd, beest van een vent, brutaliseert mensen

ongezeglijk laat zich niets zeggen

gemeen crapuleus, krengerig, stinkerig, triefel [Barg., vgl. Jidd. treife, onrein, verboden], vileinig, vuilaardig, vale vent, vileine kerel, gemene patjakker/ bliksem/ donder/ suppliant (eigenlijk iemand die bij een autoriteit een verzoekschrift indient, gew.), schoreme vent, serpentig wijf, bokkenrijder [lid van roversbende in Limburg, eind ik eeuw, die in de volksverbeelding 's nachts op bokken door de lucht reden], boksbaard, doerak [Russ. durak, nar, dwaas, waarschijnlijk woord van de kozakken die in de Franse tijd in Nederland waren gelegerd], gasterd (gew.), gemenerik, hoerenkind, kanalje, kreng, loeder, pooier, schoremerd, sekreet, nog gemener dan pompwater, behoort tot het crapuul/ janhagel/ gespuis/ plebs/ triefel, gedraagt zich minnetjes, haalt gemene/ minne/ misselijke streken uit, haalt hoerenstreken/ rottigheden uit, levert mensen een koopje, heeft mensen olijk [Mnl. odelijc, olijk, suf, ellendig] beet, heeft snode ranken onder de staart, speelt vuile spelletjes, speelt een schandelijk spel, pakt iemand op een vieze manier

satanisch duivels, duivel, satan, stokebrand, stoker, heeft inblazingen van de Boze, inciteert mensen (ruit mensen op), stijft iemand in zijn boos opzet, zaait tweedracht

hatelijk odieus, spitsgebekt, scherp, pikant, beledigend, een nijdas, nijdigaard, spin (hatelijke, roddelende vrouw), slavoen [in de heraldiek, hek met scherpe punten], neger van een vent, heeft een onaangenaam scherpe tong, zit altijd te katten, boort/ trapt/ stampt iemand de grond in, spreekt met caustische (bijtende) spot, maakt van een engel een duivel, trapt mensen op het hart, humiliëert (vernedert) mensen, kamt mensen af, zegt dingen op mordante (bijtende) toon, voegt iemand personaliteiten (persoonlijke hatelijkheden) toe, wordt personeel (veroud.)/ persoonlijk tegenover mensen, geeft mensen een piek/ zet/ steek onder water [ontstaan uit een schot onder water geven en een steek geven], geeft mensen speldenprikken, zegt pikanterieën (sic) tegen mensen, werpt met steentjes, gooit steentjes in iemands tuin (zegt kleine onaangenaamheden), geeft iemand een veeg uit de pan, spuwt/ kwat (gew.) iemand op zijn vestje, spuit vitriool, veegt met iemand de vloer aan, beledigt/ beschimpt/ declineert/ kleineert mensen, krenkt iemand in zijn eer, haalt iemand onderuit, doet een ander smaad aan, doet smadelijk tegen mensen, zet mensen voor Piet Snot

indiscreet

wreed wolfs (lit.t.), blauwbaard [sprookje van Bl. die zijn zeven vrouwen ombracht], kannibaal, wreedaard, bloeddorstige tijger, smaakt een tijgergenoegen (veroud.), heeft een wolvenaard, behandelt mensen met wreedheid

moordlustig moordzuchtig, heeft moordfantasieën

opsnijderig opsnijder, snoeshaan, zit altijd op te snijden

ongelikt een goliath [naar de door David verslagen reus in 1 Samuel 17, ongelikte beer [ontstaan uit het volksgeloof dat jonggeboren beertjes door de moeder in hun fatsoen worden gelikt]

gevaarlijk geducht, schabouwelijk [vermoedelijk van Mnl. schabbe, oud kledingstuk, morsig wijf, gew.]

onbeschaafd ongecultiveerd, onopgevoed, oermens (gedraagt zich als iemand uit de oertijd), vlerk, lummel, een stuk hout van een vent, is van achter de ploeg, heeft weinig beschaving, heeft geen manieren/ vormen

gewetenloos onscrupuleus, heeft geen geweten/ schuldbesef/ scrupules, bij hem heiligt het doel de middelen [stelregel toegeschreven aan de Jezuïeten, echter ook al door Machiavelli uitgesproken], sust zijn geweten in slaap

bruusk

pocherig pocher, pochhans, snorker, windbreker (veroud.), windbuil, feniks (gew.), een felle jan, zit te pochenlprachen/ snoeven/ snorken/ stuiten/ schwadronneren, heeft een hoop poerem [van Hebr. purlrn, mv. van pur, lot], heeft een snorkerig taalgebruik, gebruikt snorktaal, maakt veel wind op een klein potje, maakt grote kak op een klein potje, pijpt dingen op, stelt dingen fraaier/ groter voor dan ze zijn

trouweloos infideel, bezit Punische trouw, laat mensen vallen als een baksteen, laat mensen in de pekel steken, laat mensen in de steek

sarrig sarder, sar, zit altijd te sarren, wijst iemand de neten op zijn jas (om hem voor schut te zetten), jaagt/ rijdt mensen op stang [de stang is het bit bij een paard, waardoor het zo nodig hinderlijk de teugel voelt]

onverbeterlijk de galg ontwassen, voor de galg geboren

onwillig ongewillig, vertoont wanwil

roofzuchtig havik, gaat op roof uit

laag-bij-de-gronds heeft huisbakken opvattingen

platvloers plebejisch, proleterig, prollerig, een plebejer, prol, proleet, prolurk (proleet, schurk), heeft triviale ideeën [Lat. trivium, straat]

lomp lomp en slomp, boerenhengst, boerenkarhengst, boerenvlegel, boerenhufter, boerenkaffer, boerenkinkel, boerenknuppel, boerenlul, boerenlummel, boerenpummel, butoor [Lat. butio, roerdomp, samengesmolten met taurus, een vogeltje dat volgens Plinius zo genoemd is omdat het het geluid van een stier, taurus, nadoet], hannekemaaier [Westfaling die vroeger (ca. 1710) in de hooitijd in Nederland kwam werken], heiknapper [op heigrond geweid stuk vee, cnappen (Mnl.) met de tanden stukbijten], heikneuter, kaffer, kalf, kameel, kinkel, kloen (veroud.), kloet, kneu, kneukel, knuppel, loeffer (gew.), vlegel, lomperd, lomperik, lorejas [vgl. lorren, bedriegen, gew.], pachyderm [Gr. pachudermos, dikhuidig], prengel [vgl. prangen, in het nauw brengen], ruigaard (gew.), rund, rosbeier (gew.), lompe kinkel, ruige apostel [daar apostels van plaats naar plaats trokken om hun leer te verkondigen, zal het woord op vreemdelingen slaan], een bok/ hork/ loebas van een vent, heeft linkse manieren, bejegent mensen schots (veroud.), de zeven paarden die hem uit de klei hebben getrokken staan daarvan nog na te hijgen

schurkachtig schoeljeachtig, schelm, schobbejak, schobberd [schabbe, haveloos], schoelje, schoelie, schurk, spitsboef, is aan de paal (geselpaal, kaak) geweest, groeit op voor schobberdebonk, haalt schoeljestukken/ schurkenstreken/ schurken stukkenlschurkentrekken/ spitsboevenstreken uit

maniakaal maniak

morbide macabere/ perverse figuur, heeft morbide trekjes

sadistisch martelaar (sic), sadist, sadomasochist, doet dingen uit sadisme [naar Markies de Sade (ca.1800), die het sadisme in zijn romans beschrijft], heeft sadistische/ sadomasochistische neigingen [masochisme, naar de schrijver Masoch (ca.187o), die het verschijnsel beschrijft]

plaagziek plaagal, plaagbeest, plaaggeest, plaagduivel, plaagstaart (gew.), plaagstok (gew.), plager, boomklok [hist. klok die men luidde bij het openen en sluiten van een havenboom, een plaagziek kind, gew.], zit altijd te jennen/ nijdassen (sic)/ peuten/ plagen, rijdt de gans met mensen, zet iemand de fok op, houdt mensen voor de gek, houdt mensen op de steen (gew.), houdt mensen voor het mafje, neemt een loopje met mensen, lult (veroud., gew.)/ fopt iemand, neemt iemand in de veiling/ maling [maling is vermoedelijk het ronddraaien bij het bochten, omsingelen, van vee om het te vangen; of het ronddraaien van iemand door middel van een touw, zodat hij zijn bezinning verliest], neemt een loopje met mensen, neemt iemand bij de neus, neemt iemand te pakken, lijdt aan plaagzucht

barbaars barbaar

kwelziek kretelijk (gew.), pesterig, tergziek, treiterachtig, treiterig, een hartevreter (gew.), treiteraar, kwelbast (veroud.), kwelgeest, kwelduivel, plegiskop [Jidd. plegesj, lastig wijf, Barg.], pestkop, plaag, pretbederver, duivelse treiter, vervelende klier, is altijd aan het kreten (gew.)/ kretten (gew.)/ kreiten (gew.)/ narren/ peeën/ treilen (gew.)/ treiteren/ turken/ vr■len (gew.)/ hartevreten (gew.)/ klieren/ zieken/ zuigen, zit mensen te fokken [Mnl. focken, een loopje nemen met]/ tezen (gew.)/ tinsen (gew.), troebleert/ verontrust/ duivelt/ koeioneert/ kwelt/ negert/ pest/ pijnigt/ taquineert/ tempteert/ teent (gew.)/ tergt/ transeneert (gew.)/ treitert/ vexeert/ wrikkelt mensen, stangt mensen op, bederft andermans plezier, haalt iemand het bloed onder de nagels vandaan, doet mensen de dampen aan [vgl. dampig voor asthmatisch m.n. bij paarden], jaagt iemand de duivel in (deze is dan bezeten door de duivel), doet iemand de duivel aan, pikt iemand in de kam, jaagt mensen op de kast, jaagt mensen de pee/ pest in, jaagt iemand over de rooie (schreef), lijdt aan kwelzucht, zit iemand in de nieren, heeft de pret alleen, schept er genoegen in iemands pret te bederven, verzuurt anderen het leven

bloeddorstig vampierachtig, bloedhond, vampier

naar boven

II+III-
BUIGZAAM, PLOOIBAAR

buigzaam heeft een kneedbaar gemoed

plooibaar heeft een plooibaar karakter

naar boven

II-III+
EERZUCHTIG, STREBERISCH, PREKERIG

eerzuchtig prestatiegericht, competitief, fanatiek roemzuchtig, heeft hoge aspiraties, bezit distinctiedrift/ distinctiedrang/ eerzucht/ prestatiedrang/ roemzucht, beconcurreert anderen, wil altijd de eerste zijn, wil hogerop, werkt zich omhoog, jaagt naar eer en roem, heeft het in de muts, heeft het hoog in de bol, staat op zijn ponteneur [Fr. point d'honneur]

streberisch streberig, carri■rejager, carri■rist, baantjesjager, ellebogendouwer, streber, strever, pousseert zichzelf, probeert een ander voor te komen

prekerig preekachtig, preker, moralist, altijd aan het preken/ moraliseren

pinnig een haaibaai, pin

eergierig op eer belust

naar boven

II+IV+
TOLERANT, TEVREDEN, INGOED

tolerant bedekt dingen met de mantel der liefde [wellicht uit Gen. 9:23 waarin een dronken Noach zich ontbloot heeft en door zijn zoons Sem en Japhet met een kleed wordt bedekt], neemt mensen zoals ze zijn

tevreden ver(ge)noegd, vergenoegzaam, weltevreden, met luttel tevreden, het is hem welig/ welbehaaglijk te moede

ingoed te goed voor deze wereld

aardig jentig (gew.) ding, doet anderen graag plezier

doodeerlijk broodeerlijk, zo eerlijk als goud, vertelt altijd de ronde waarheid

tactvol tactisch, tacticus, heeft tact/ beleid/ stuurmanschap

betrouwbaar bonafide, gewis, vertrouwenswaard, vertrouwenwekkend, een bolwerk, woordhouder, man van zijn woord, te vertrouwen, houdt zijn beloften, men kan blind op hem rekenen, men kan huizen op hem bouwen, men kan kerken en torens op hem bouwen, kan een geheim bewaren, laat geen geheimen los, komt niet van Uithoorn (laat zich niet uithoren), men kan op hem aan, men kan op hem varen, staat (veroud.)/ houdt zijn woord, komt zijn woord na, men kan hem iets gerust toevertrouwen, men kan zich op hem verlaten, komt trouw zijn beloften na, boezemt vertrouwen in, wekt vertrouwen

naar boven

II-IV-
OPVLIEGEND, MOKKERIG, SNAUWERIG

opvliegend bruistig, cholerisch [Gr. chol■, gal], hittig, opvarend, pluisterig (gew.), poestig (gew.), belgziek, eruptief, fulminant, bliksemend, galachtig, opbruisend, oplopend, explosief, donderaar, helhond, fulminator, schelder, vaatje buskruit, net een blikken keteltje (zo koud, zo heet), schuimend van drift, buiten zichzelf van woede, altijd aan het ketteren/ parlesanten [Sp. por los santos, bij de heiligen; veroud.]/ tempeesten (gew.)/ tobben [sic, gew.], staat te vloeken en te schelden, heeft een staart om (gew.), vliegt mensen aan, vliegt/ stuift op als buskruit, gaat op zijn achterpoten staan, reageert als door een adder gebeten, wordt hagels, echauffeert zich, de gal komt bij hem boven, de gal loopt hem over, de gal ontsteekt hem, proeft de gal in zijn strot, spuwt zijn gal uit, klimt in de gordijnen, klimt op de kast, krijgt een rode kam, zijn bloed begint te koken, steekt de kuif op, steekt zijn oren op, wordt kwaad, ontploft van woede, schiet in zijn kram [gew.], schiet uit zijn slof [verwijst naar de vroegere betekenis van slof, versloffing, traagheid, onverschilligheid], vliegt op als een briesende leeuw, vliegt op als een bosje vlooien, vliegt op in toorn, zijn melk kookt/ loopt (gew.) over, boeit zich op, speelt op zijn poot, springt op zijn paard (gew.), bij hem is kruit op de pan, heeft opstijgende driften, gaat op zijn achterste poten staan, rijdt 'm als een ouwe dief, wordt pisnijdig, schuimbekt van woede, gaat over de rooie (schreef), smijt met de deuren, spuwt/ vat vuur en vlam, begint te steigeren, het bloed trekt naar zijn tenen, ontsteekt in toom, vertoornt zich, schiet tegen iemand uit, springt uit zijn vel, vliegt mensen in de haren, vliegt mensen in het gezicht, slaat met de vuist op tafel, gaat met iemand op de vuist, wordt warm/ witheet, geraakt in woede, ontsteekt in blinde woede, krijgt een woedeaanval/ woedeorgasme/ woede-uitbarsting, speelt de beest, raast en tiert, gaat te keer als een bezetene/ uitzinnige, gaat tekeer als een duivel in een wijwatervat, buldert/ reert (gew.) tegen iemand, gaat te keer, vloekt alle duivels uit de hel, heibeit [vgl. haaibaai]/ scheldt als een viswijf, maakt overal misbaar over, slaat aan het rachen [raak, achterste deel van het gehemelte, de keel schrapen, schelden, gew.], gaat aan als een Turk, bekijft mensen, fulmineert/ foetert tegen mensen, kapt op iemand, vaart tegen iemand uit, trekt van leer tegen iemand [leren schede waarin het mes of de sabel gestoken is], speelt op zijn poot

mokkerig kroppig, wrokkig, zit altijd te spetteren/ sputteren/ mokken/ morren

snauwerig bijterig, snakker, is aan het grauwen en snauwen/ happen en snappen, spreekt mensen bijtend toe, houwt en snauwt, snabt (gew.) tegen iemand, geeft snakken en snauwen, geeft iemand een snak in zijn gat, geeft iemand een scherpe snauw

sikkeneurig [Fr. chicaneur], maakt ampere (gew.)/ zure aanmerkingen, heeft de smoor in

vitterig vitachtig, vitziek, hekelig, scherp, kittelorig, neetorig, een neetoor, netenkam, netenbos, netenkop, vitter, zifter, zit aldoor te vitten/ hakketakken/ hakketeren [Mnl. a(c)ket, slimme vondst, bedriegelijke kunstgreep]/ ziften, bezit vitlust, lijdt aan vitzucht, heeft altijd iets aan te merken, heeft altijd ergens wat op te zeggen, heeft nergens een goed woord voor over, schuiert iemand de mantel af, beknijpt (gew.)/ bevit/ bepreekt/ bemeestert/ bekritiseert mensen, geeft afbrekende kritiek, geeft iemand een geduchte les, leert iemand een lesje, leest mensen de les, haalt mensen door de mangel, zoekt knorven in biezen, zoekt spijkers op laag water, verwijt iemand zijn gedrag, legt op alle slakken zout, geeft mensen van vier duiten weerom, zet mensen op hun nummer, leest anderen de levieten/ metten [gebeden die kloosterlingen 's nachts moesten lezen of zingen], spelt iemand een puntje, kapittelt iemand [Mlat. capitulare, iemand de hoofdstukken, capitula, van de wetten en verordeningen van een klooster voorlezen]

kribbig kribbekat, zit altijd te krenselen (gew.)

driftig nijdig, kwaadzinnig, driftkop, driftkikker, gifkikker, gifpisser, krik (gew.), tintelhoofd (gew.), van de duivel bezeten, is des duivels, gedraagt zich geëmporteerd, heeft den duivel in, heeft driftbuien

ruzieachtig heibeiig, krakeelachtig, krakeelziek, een krakelig wijf, baaivanger, Beëlzebub [oorspr. god der Feniciërs en Syriërs, door de Israëlieten tot een duivel verlaagd, een `drekgod'; Hebr. ha'al zebub, heer der vliegen], duiveljager, ijzervreter, kabaalmaker, heibei, haaibaai, strijder, tegenspreker, ruziemaker, strontzoeker, ruziezoeker, voorvechter (sic), altijd aan 't haarplukken/ heibelen/ krakelen/ kritsen (gew.)/ motten/ ruziën/ snarren (gew.)/ strubbelen/ trammelanten, is verwikkeld in krakeel [vgl. kraken, Fr. querel(le), twist], in een strijd gewikkeld, heeft stronterijen/ strubbelingen met iemand, maakt heibel/ kabaal/ muite (gew.)/ ruize (gew.)/ ruzing (gew.)/ spektakel/ stront/ trammelant [Fr. tr‚mulant, bevend], maakt knallende ruzie, houdt zich bezig met hikhakkerijen, jaagt de kat in de gordijnen, lijdt aan krakeelzucht, zoekt kwestie/ mot/ nesten/ ruzie/ onenigheid, bouwt een toren van Babel (waarin een Babylonische spraakverwarring heerst), leeft met iemand in onmin, staat met iemand op voet van oorlog, geeft iemand een sneer, sneert tegen mensen, krijgt het met iemand aan de stok, ligt met iemand over de strengen (gew.), ligt met iedereen overhoop

snibbig hanepennig, hanig, vinnig, een snib, snibbe (vrl.), snibt tegen mensen, zegt snibbigheden

wrevelig nestig, wrevelmoedig, bejegent mensen spijtig, handelt uit wrevelmoed

knorrig aveluinig [van ave-(af)+luim, vgl. ave-rechts], gemelijk, landziekig, preutelig, brommerig, een knorrepot, rommelpot (gew.), pruttelaar, tagrijn (veroud.), uitbijter, iezegrim, zo kwaad/ knorrig als een stekelvarken, uit zijn tureluur (veroud.), knort altijd ergens over, kijkt zo vriendelijk als de deur van het rasphuis [hist., tuchthuis waar landlopers en misdadigers verfhout moesten raspen], legt mensen het vuur na aan de schenen, valt over mensen heen

onhandelbaar stierachtig, een weerwolf [weer = Lat., vir (man), volgens bijgeloof kon deze man zich `s nachts in een wolf veranderen om op roof uit te gaan], er is met hem geen huis te houden, er is met hem geen land te bezeilen

bitsig (gew.) bits

lastig ongemakkelijk, moeilijk, onmogelijk, hinderlijk, lastige tante, lastig meubelstuk/ portret/ potnat, mierig kind, ongemakkelijk zeeschip, hobbel, lastigaard, lastpak, lastpost, stoorder, stoorzender, zevenzeiker, krits [Mnl. crijt, kreet, gew., een lastig kind], torntoffel [wellicht stam van tornen, o.a. lastig vallen + pantoffel, gew., een lastige, rare vrouw], stuk hekelvee (gew.), is altijd aan het nijten [Mnl. nitich, kwaadaardig, van een stier, gew.]/ dwarsdrijven, heeft een ongemakkelijk humeur, geeft iemand een been te kluiven, legt iemand moeilijkheden in de weg, veroorzaakt/ verkoopt last/ hinder, bezorgt anderen last/ spul, doet moeilijk, valt niet prut (is geen katje om zonder handschoenen aan te pakken), veroorzaakt stoornis, vergt veel van iemands geduld

bokkig bokkerig

bits hebbig (gew.), happig (gew.), snar (veroud.), heeft een bitse/ scherpe tong, geeft iemand een hap, geeft iemand een bitsig/ lebbig/ spits antwoord, antwoordt iemand met een knap (gew.), gebruikt stekelachtige/ stekelige/ tranchante woorden, zegt altijd stekeligheden

brommerig brombeer, bromsnor, preutelaar, reutelaar, zit altijd te brommen/ oeken [klanknaboots.]/ knoteren/ preutelen (brommerig te prevelen)/ mopperen/ morren

kibbelziek kibbelachtig, knibbelig, knibbelachtig, knibbelziek,haspelaar, kibbelaar, zit voortdurend te hassebassen/ krieuwen/ kibbelen, lijdt aan kibbelzucht

vijandig hostiel, vol animositeit, is op iemand vergrimd/ verstoord, heeft de kanker/ pest aan anderen, heeft een hekel aan mensen, heeft het niet op iemand, heeft het op iemand verzien, draagt iemand vijandschap toe, koestert antipathie jegens mensen, laat iemand de hoorns zien, kan iemand niet horen of zien, maakt mensen te onvriend, maakt iemand tot vijand, kan slecht met mensen overweg, komt slecht met mensen overeen, kan iemand niet rieken/ luchten, leeft met anderen op gespannen voet

kankerig een kanker, kankeraar, kankerpit, kankerpot, loopt altijd te kankeren

onredelijk heistermadam (gew., warrige, onredelijke vrouw), maakt overal een toestand van

ongeduldig Pietje Ongeduld, verliest zijn geduld, heeft een mier in de broek, doet alles overhaast, gaat overijld te werk, alles moet bij hem per post (met haast) gaan, staat op stel en sprong, staat te trappelen/ trippelen/ triptrappelen van ongeduld, zit altijd op het vinkenslag (gew.)/ vinkentouw, zit voortdurend op hete kolen

dwingerig drijver, doordrijver, dwingeland, is altijd aan het prengelen (gew.)/ kritsen (gew.), wil altijd zijn zin hebben, doet dwingend, bruuskeert dingen, drijft dingen door, dwingt mensen ergens toe, dwingt mensen iets op, prest/ presseert mensen, oefent dwang/ pressie uit

korzelig ibbel(ig), iebel(ig), krikkel, een ibbelkat, gellig van humeur (gew.)

kwaaddenkend gifzuiger (ergdenkend mens), neemt anderen gauw iets kwalijk, legt alles ten kwade uit, weet van alle katten kwaad

onbillijk handelt unfair

overdreven extravagant, exuberant, geëxalteerd, exagereert (overdrijft) altijd, maakt van een mug een olifant, maakt van een veest een donderslag

grimmig grim, een grimbek, zit voortdurend te grimbekken/ grimlachen

venijnig haaiig, pisserig, een stuk venijn/ vergif, heeft een venijnige tong, spuwt venijn, braakt zijn venijn op anderen uit

onaardig doet vervelend

kijfziek kijfachtig, kijfzuchtig, kifterig, een kijver, hannik (vrl.), is voor de kijf, is op zijn kijf (gew.), maakt altijd kif, altijd aan het kiften/ oppijpen/ opspelen, kijft als een viswijf

onmogelijk

onuitstaanbaar

wraakgierig (zie `wraakzuchtig')

bevooroordeeld heeft ingeroeste vooroordelen, heeft vooropgezette meningen

bars boos

antipathiek kwijlebabbel, kwijlebal, slijmbal, kwal

afgunstig kinnesinnerig, heeft broodnijd, heeft kinnesinne op een ander, kijkt mensen dwars/ scheef aan, kijkt mensen met schele ogen aan, kijkt ergens met een schuin oog naar, benijdt anderen, gunt iemand het licht in de ogen niet, misgunt iemand iets, vergaat van nijd, ziet geel van nijd, spreekt op spijtige toon, lacht spijtig, wordt verteerd door afgunst/ nijd/ jaloezie/ wangunst, kan de zon niet in het water zien schijnen (alsof de zon alleen voor hem moet schijnen, of betekent het dat hij niet tevreden is met de spiegeling van de zon in het water?)

vervelend droogt uit als een Harderwijker bokking, verveelt anderen

treiterachtig judasserig, een treiter, treiteraar, judas, zit altijd te treiteren/ judassen

haatdragend hateling (zowel iemand die haat als die wordt gehaat), timon [Timon was een Atheens burger (ca. 415), die zich na slechte ervaringen uit de maatschappij terugtrok, een mensenhater], misantroop, is vervuld van mensenhaat, heeft misantropische gedachten, heeft verachting voor mensen, kan iemands bloed wel drinken, kan mensen niet uitstaan/ zetten/ luchten of zien, voelt een onverzoenlijke/ bittere/ dodelijke/ machteloze/ blinde haat, draagt iemand een kwaad hart toe, lijdt aan misantropie, voelt haat en nijd, veracht/ verafschuwt mensen

naijverig iemands voorspoed maakt zijn naijver gaande

weerstrevig doet altijd afwerend

afstotend afstotelijk, onverdraaglijk, vreselijk, walgelijk, walgingwekkend, een walg, stoot mensen af

vals vals als een kat, valshartig, valsaard, valserik, louter valsheid, handelt valselijk/ valsgaweg (gew.)

akelig miskuiken, vervelende pupse (vrl.)

slecht een bliksemslag, bliksemstraal, door en door slecht mens

verraderlijk adderachtig, judasserig, verraads, een judas, pieper (Bargoens), verklikker, rotteraar (Barg.), verrader, sliegeraar (Barg.), verklapper, verkleffer (Barg.), judast mensen, brengt mensen aan, lapt iemand erbij, sluikt/ verklikt/ versliechert/ versliechent/ versmiechelt/ verklapt/ verknijst (Barg.)/ verkotst (Barg.)/ verlinkt/ verloent (Barg.)/ vermamst (Barg.)/ vermassert (Barg.) anderen, verraadt en verkoopt iemand, verkoopt en levert iemand waar hij bij is, is iemand te slim af, pleegt verraderij

theatraal overdreven, gedraagt zich met veel vertoon

naar boven

II+IV-
ZACHTAARDIG, ZACHT, GEVOELVOL

zachtaardig zoetaardig (gew.), fluwelen Frederik, laat met zich sollen, laat zich snel vermurwen, laat zich om een vinger winden

zacht behandelt mensen met zachte hand, behandelt iemand met zachtheid, spaart de roede, drukt zich op een suave wijze uit (spreekt op niet kwetsende manier)

gevoelvol vol sentiment, spreekt vol gevoel

zachtzinnig vroom (gew.), zije Mina/ sok, een zijen

toegevend indulgent, rekkelijk, permissief, doet concessies, geeft zich snel gewonnen, legt zich gemakkelijk ergens bij neer, laat veel over z'n kant gaan (vermoedelijk kant van boot waarover water gaat), breekt zijn rug, gaat door de knieën, doet dingen ter wille van de lieve vrede, doet iets om des vredes wille, zwicht voor overmacht/ aandrang

deemoedig buigt zich in deemoed, verdeemoedigt zich, laat zich intimideren, voelt zich kleintjes

naar boven

II-IV+
AUTORITAIR, HARDVOCHTIG, HEERSZUCHTIG

autoritair autocratisch, paternalistisch, bevoogdend, treedt eigenmachtig op, bezit geldingsdrang, heeft een regentenmentaliteit, doet zich gelden, spreekt ex cathedra (op autoritaire toon), snoert mensen de mond, beschikt over mensen, duldt geen tegenspraak, verstaat geen gekheid, vergt gehoorzaamheid, zet mensen naar zijn hand, zet mensen op hun plaats/ nummer, geeft iemand een rapplement (standje), wijst mensen terecht, vermaant mensen, persuadeert iemand, haalt iemand ergens toe over, overreedt mensen, behandelt iemand als een snotjongen, staat op zijn strepen [oorspr. strepen als aanduiding van hogere rang]

hardvochtig troeft/ ranselt mensen af (gew.), overtroeft (gew.)/ verjaagt mensen, pest mensen weg

heerszuchtig heersziek, gebieder, heerser, machtswellusteling, nero [wreed Rom. keizer van 54-68 n. Chr.], paus, potentaat, satraap (stadhouder), touwtjestrekker, driller, bezit heerszucht/ machtsbegeerte/ machtsbelustheid/ machtshonger/ machtswellust/ machtswil/ veroveringsdrang, heeft een zucht naar macht, heeft haar op de tanden [wellicht voor, of boven de tanden, dus baardhaar, een knevel als teken van manhaftigheid], legt mensen aan banden, spreekt op een bevelende toon, commandeert/ drilt mensen, zet mensen schaakmat, zet iemand onder druk, houdt mensen onder de duim, heeft mensen onder de sim (dobber van hengelsnoer), heeft anderen in zijn macht, spant/ slaat iemand in het gareel (halsjuk van trekdier), maakt gebruik van zijn macht/ invloed, deelt overal de lakens uit [oorspr. waarschijnlijk moeder van een gesticht die over de linnenkast gaat], dwingt mensen tot gehoorzaamheid, vertoont haantjesgedrag, heerst over mensen, leidt iemand aan een koordje, heeft iemand aan het lijntje/ touwtje, houdt anderen in toom, maitriseert/ ordonneert iemand, speelt de meester over iemand, zet iemand een pin op de staart/ neus, zet iemand de prang op de neus, primeert/ overheerst mensen, zit mensen achter hun reet, zit iemand achter de vodden, lijdt aan regeerzucht, wil alleen regeren, speelt een spel met mensen, gebruikt anderen tot zijn speelballspeelpop, stelt iemand naar zijn hand, stelt iemand de wet, submitteert/ onderwerpt mensen, verordent/ verordineert/ verordonneert mensen iets, trekt aan de touwtjes, heeft de touwtjes in handen, werkt zijn kop uit, drijft zijn zin door, voert de heerschappij, belult/ bepraat iemand, werpt mensen overstag, zet iemand vast, gebruikt verbaal geweld, stelt anderen de wet, schrijft anderen de wet voor, zet iemand het hoofd recht, doet iemand gehoorzamen, bluft mensen af, strijdt iemand iets af, beduvelt (sic)/ overbluft iemand, maakt anderen verlegen, dreigt/ intimideert/ imponeert mensen, neemt iemand de wind uit de zeilen, verzet iemand de kap [oorspr. capuchon], kapittelt iemand [iemand in het kapittel, vergadering van kloosterlingen, de les lezen, zie ook onder `vitterigheid'], veegt iemand (de mantel) uit, zijn woord is wet

glashard gaat door dik en dun, zegt mensen unverfroren de waarheid

dictatoriaal dictatorisch, dictator, geweldenaar, huistiran, usurpator, heeft mensen in zijn macht, heeft anderen eronder, beheerst/ overheerst mensen, van hem moet het buigen of barsten, buigt/ breekt iemands wil, houdt mensen ten onderen, legt iemand de keten aan de hals, maakt iemand een kopje kleiner (sic), krijgt iemand klein, krijgt mensen onder de knie/ duim/ voet, fnuikt iemands macht, belemmert iemands vrijheid, oefent macht uit, onderdrukt/ onderjukt/ overdoet anderen, maakt mensen tot slaaf, houdt mensen de teugel kort, laat mensen de teugels voelen, usurpeert/ overweldigt mensen, trapt iemand met voeten, vernedert iemand, schrijft iemand de wet voor

spijkerhard zo hard als een spijker

onvermurwbaar niet te vermurwen, heeft een hart van ijzer/ steen

tiranniek apodictisch, beslissend, tiran, tiranniseert mensen, duldt geen tegenspraak

arrogant loopt over mensen heen, slaat een hoge/ hooghartige toon aan, blaast hoog van de toren, doet anderen hun nietigheid voelen

onverbiddelijk gestreng, heeft geen consideratie, laat niet met zich sollen, laat dingen niet over zijn kant gaan, laat zich niet verbidden, zit er met de zweep achter, spoort voortdurend aan

onbuigzaam inflexibel, niet geneigd tot compromissen, moeilijk te persuaderen (overhalen), bezit een strakke onbuigzaamheid

onverzettelijk karpatenkop [waaruit een aan onverzettelijkheid gepaarde domheid spreekt], stoere calvinist, heeft een onverzettelijke wil, laat zich niet afbluffen/ afschepen, laat zich niets afpakken, laat zich door niets weerhouden, houdt stokstijf vol, vecht dingen tot het einde uit

hoogmoedig bats [Hd. batzig, patserig, gew.], brokkel (gew.), elitair, grozig (gew.), hovaardig, opgeblazen, megalomaan, schots (gew.), aanmatigend, triomfaal, triomfant(elijk), triomfalistisch, statuszoeker, gesteld op status/ standing, overtuigd van eigen perfectie, altijd aan het burgemeesteren, van het hondje gebeten [in 17de eeuw werd gezegd: van het hondje van laatdunken gebeten], vol hoogmoed, heeft een hoge dunk van zichzelf, heeft een air van superioriteit, bezit eigendunk/ grootheidswaan/ grootheidszucht/ hoogmoedswaan/ superioriteitswaan, verwaardigt een ander met geen blik, zet een hoge borst op, draagt de borst hoog, voelt zich een halve god, verbeeldt zich dat hij een klein godje is, geen golf gaat hem te hoog, meent dat hij voor niemand hoeft wijken, spreekt op laatdunkende toon, handelt hovaardiglijk, lijdt aan statuszucht, behandelt mensen met hovaardij, bij hem is het: als niet komt tot iet dan is 't allemans verdriet, of ook: als niet komt tot iet dan kent iet zichzelve niet, steekt zijn neus in de wind, waant zich omnipotent/ almachtig/ onfeilbaar, blaast zich op, slaat een toon aan, zegt geen pruim voor een mandvol, doet uit de hoogte (vrl.), stelt iemand ten staarte [naar Deut. 28:13, En de Heere zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart, ...], haalt iemand neer, stelt zich boven anderen, triomfeert over mensen, acht iets ver beneden zich, acht zich ergens te voornaam voor, voelt zich superieur/ verheven boven iemand, verhovaardigt zich ergens op, ziet verwaten op anderen neer, plaatst zich op een voetstuk, laat zich ergens op voorstaan

hautain doet geringschattend/ vernederend, verootmoedigt mensen, praat/ lacht schamper, versmaadt het dingen te doen, acht dingen beneden zich, verwaardigt zich niet mensen te groeten/ antwoorden, laat iemand op de vloermat staan

hard als steen, hard als een spijker, geharnast, heeft een verhard gemoed/ geweten, voegt iemand harde woorden toe, zijn ziel is vereelt, zijn hart is verhard

zelfingenomen zelfbehaaglijk, alleenwijs, tevreden met zichzelf, zelfingenomen en geslepen, een egotist, egotripper, verleidersfiguur, verleiderstype, denkt dat hij de wijsheid in pacht heeft, overtuigd van zijn gelijk, bezit eigenliefde, heeft een innerlijk zelfbehagen, heeft een klinkend verstand (omdat hij rijk is meent hij alles te begrijpen en krijgt daarom meestal nog gelijk ook), draagt zijn verstand in zijn zak (idem: omdat hij rijk is ...), zijn gedrag getuigt van fatuïteit (dwaze zelfingenomenheid), voelt zich een hele piet, slaat zich op de borst, gooit zichzelf niet weg, verbeeldt zich wonder wat, doet aan zelfcultus

zelfgenoegzaam zichzelf genoegzaam, heeft overal een mening over, bezit sufficiëntie/ zelfgenoegzaamheid, heeft zo zijn trots, bezit de vergenoegzaamheid der deugd

arglistig berekenend, jezuïet, intrigant, manipulator, heeft een jezuïetenmoraal, zegt dingen altijd met een bedoeling, insinueert dingen, handelt uit berekening, broedt boze plannen uit, houdt mensen een lokaas voor, lokt mensen uit de tent, manipuleert mensen, solt met mensen, wringt zich als een slang in allerlei bochten, tracht mensen te tenteren (in verzoeking te brengen), stookt anderen op een verkapte wijze op, vist in troebel water

geslepen berekenend, betjoecht (Barg., gew.), een rekenaar, is ergens in uitgestudeerd, houdt iemand in de draai, paait iemand, weet overal een draai aan te geven, praat recht wat krom is, lijmt mensen ergens voor, maakt gebruik van mensen, besteekt mensen (gew.), koopt mensen om, rekent naar zich toe, hanteert trucs om iets te bereiken, vangt anderen vliegen af, leidt iemand onder de vliender (gew.), leidt iemand achter de vlienders (vlierboom), leidt mensen om de tuin

onbarmhartig ongenadig, een kwaaie, jaagt iemand op zijn achterzolder, maakt iemand kwaad, jaagt/ juint/ jut mensen op, haalt mensen door de mosterd, wijst mensen onbarmhartig terecht, walst over mensen heen

oorlogszuchtig zoekt oorlog met mensen

meedogenloos impitoyabel, diabolisch, onmeedogen, rucksichtslos, een killer, heeft geen erbarmen, heeft een killersmentaliteit, zet mensen de klem op de neus, zet iemand het mes op de keel, zet mensen klem, laat iemand geducht van de ra lopen, geeft iemand er van langs, gaat over lijken, treedt Russisch op, legt de zweep erover, met hem valt niet te spotten, oefent een ware terreur uit, terroriseert mensen

schoolmeesterachtig een frik, een echte juf, scholaster, schoolfrik, schooljuffrouw, weetal, schoolmeester, schoolvos (pedant en despotisch schoolmeester), altijd aan het schoolmeesteren, spreekt op een docerend toontje, spreekt een schoolmeestersjargon, spreekt met schoolmeesterswijsheid, doet aan schoolvosserij, doet apodictische uitspraken

pretentieus heeft het hoog in zijn ster [star is voorhoofd], heeft een hoop pretenties, pretendeert dingen

trots trots als een pauw, grootsig, een grootsaard, pauwin, is hoog/ groots in zijn wapen, hoog/ groots in de wapens, is ergens groots op, heeft een groot hart (sic), heeft het hoog in de bol, heeft het hoog op, heeft een pauwige trots, heeft het in zijn peer, geeft zich airs, loopt borstig (met de borst vooruit), draagt het hart/ hoofd hoog, klopt zich op de borst, pavaneert zich, zet een hoge borst op, gaat ergens prat op

intellectualistisch high brow type

aristocratisch aristocraat

militaristisch militarist, houwdegen

militant strijdlustig, strijdbaar

naar boven

II+V+
FLEXIBEL, VERDRAAGZAAM, HUMAAN

flexibel lenig van geest, een wipper, verandert gemakkelijk, heeft een soepel verstand

verdraagzaam gedoogt/ verdraagt veel, kan veel van mensen hebben

humaan menselijk

loyaal toegewijd, solidair, loyalist, handelt uit loyaliteit, solidariseert zich met anderen

onzelfzuchtig altruïstisch, altruïst, uit zijn handelen spreekt altruïsme [gevormd van Lat. alter en Fr. autrui door de filosoof Auguste Comte, 1798-1857]

democratisch democraat, verkeert als fr■re et compagnon met anderen, gaat op gelijke voet met mensen om

menselijk heeft achting voor anderen, neemt mensen ernstig/ serieus/ au sÚrieux, ziet een ander voor vol aan

liefdevol vol liefde

ontvankelijk vatbaar voor indrukken/ gevoeligheden

fijnzinnig heeft een fijn onderscheidingsvermogen

rechtvaardig billijk, gerechtig, een slecht en recht mens, streng doch rechtvaardig, bezit een onkreukbare rechtvaardigheid, handelt volgens recht en billijkheid, betracht gerechtigheid, laat een ander recht wedervaren, geeft elk zijn recht

fijnbesnaard heeft een verfijnd gevoelsleven

genereus bezit generositeit

groothartig heeft een groot hart

begrijpend begripvol, deelnemend, heeft ergens begrip voor, heeft aanvoelingsvermogen/ inlevingsvermogen, voelt mensen goed aan, begrijpt iemand, toont empathie, kruipt in de huid van een ander, kan zich goed in iemand inleven, kan iets bij iemand navoelen

mededogend mededoogzaam, is met mensen begaan, heeft compassie/ erbarmen/ mededogen/ medelijden/ rachmones (Barg.) met anderen, heeft een medelijdend hart/ het hart op de rechte plaats, heeft ziels te doen met iemand, heeft ziels medelijden met iemand

onbevooroordeeld zonder vooroordelen, heeft een objectief oordeel, kan objectiveren, staat boven de partijen, handelt zonder aanzien des persoons, oordeelt onpartijdig, denkt zindelijk

filantropisch filantroop

clement behandelt mensen met clementie

naar boven

II-V-
ONVERDRAAGZAAM, KWAADWILLIG, HEBBERIG

onverdraagzaam vervolgziek, vervolgzuchtig, een boekverbrander, valt overal over, neemt alles van de linker kant op (vat alles verkeerd op)

kwaadwillig euvelmoedig, kwalijkgezind, laakziek, langtongig, een inblazer, klappei (vrl., veroud.), kwaadspreker, kwaaitong, kwatong, labbekak, is zijn moedwil aan het botvieren, geneigd tot achterklap, altijd aan het klappeien/ klappaaien (veroud.)/ kwetelen(gew.)/ labbekakken (gew.), heeft een kwaad gagel (eig. tandvlees), heeft een giftige/ lange tong, bekalt (gew.)/ beklapt (gew.)/ bekletst/ belabt (gew.)/ bekonkelt/ belastert anderen, bezwalkt iemands goede naam, bekladt iemands eer, handelt met euvelmoed, schopt mensen tegen het zere been, tast mensen in hun zeer, trapt mensen op hun zeer, sleurt iemand door de goot, houdt van gossip, haalt mensen over de hekel [vlas of hennep wordt ter zuivering over de hekel gehaald], zit mensen op hun kazak (jas, boezeroen, gew.), kletst over anderen, vertelt allerlei kwaads van mensen, lijdt aan laakzucht, haalt mensen omlaag, brengt mensen in opspraak, nagelt iemand aan de schandpaal, spreekt kwaad achter iemands rug, spreekt overal schande van, zaait haat/ tweedracht

hebberig greetneuzig, hebachtig, hebbig, een greetneus [greten is begeren, vgl. gretig], hebberd, is overal als de kippen bij, is voor/ van de krijg maar niet van de geef, is van de behoudende partij, geeft niet graag iets weg, is van (de familie van) Kleef houdt meer van de heb dan van de geef, zoekt het eigen voordeel

bedilziek bedillerig, bevoogdend, een Lijsje Albedrijf/ Albed(r)il, wijst anderen op hun fouten

inhalig baatzuchtig, schriel, taai (veroud.), een hapschaar (zie ook `zonderling', `grootdoenerig', gew.), melker, schraper, parasiet, profiteur, zakkenvuller, aasgier, haalt voordeel uit andermans ongeluk, taai in het melken(schuift niet gemakkelijk iets af), heeft een kramersgeest, handelt uit baatzucht, schiet onder iemands duiven [Door koning Filips in 1559 en later in 1642 door de Staten-Generaal uitdrukkelijk verboden, maar het is waarschijnlijk wel vaak stiekem gedaan.], melkt mensen uit, parasiteert op anderen, weet overal partij/ profijt van te trekken, zoekt zijn profijt, weet overal van te profiteren, neemt de room van de melk, trekt overal het meeste voordeel van, als je hem een vinger geeft neemt hij de hele hand

vooringenomen gepreoccupeerd, partijdig, bezit een blinde vooringenomenheid, wordt gedreven door partijschap

geldzuchtig geldgierig, gewinziek, gewinzuchtig, een geldwolf, goudduivel, van de geldduivel bezeten, bezeten door goudkoorts, slaat overal geld/ munt uit, handelt op hoop van gewin, lijdt aan winzucht, de goudduivel is in hem gevaren, aanbidt het gouden kalf, dient de mammon, het is hem om de pitten/ pitjes te doen, zou de varkens wel willen scheren, kan niet van zijn geld scheiden, houdt van het slijk der aarde

oervervelend stomvervelend

gluiperig gluips, een duiker (gew.), luiperd, gluiperd, gluipkop, klikker, klikspaan, staat altijd te gluipen/ luipen/ gluren, begluurt/ bekoekeloert/ beloertfbespiedt mensen

onhebbelijk embêtant (vervelend), kwallig, onwellevend, pummelig, rekelachtig, respectloos, een stierlijk vervelend persoon, bietebauw, bullebak, dondersteen, donderstraal, être, etterbak, galbak, gallijer, kanjer [sic, Fr. cagnard, luiwammes, vrl.], lul, mispunt, pummel, rotaap, rotstraal, rotterd, rotzak, strontvent, strontraper, strontbroek, strontgat, stronthoop, strontjongen, strontzak, teringlijer, varken, gore bal, lelijk mirakel, misselijke vent, kwaaie rekel, rottige kerel, etter [Fr. être], kwal van een vent, hond van een kerel, zit altijd te etteren, is bij de varkens grootgebracht, heeft geen respect voor anderen, heeft zijn perten (slecht gehumeurd), gedraagt zich ongepast, gaat beestachtig/ honds tekeer, bruuskeert/ embêteert (gew.)/ ignoreert anderen, jaagt iemand tegen zich in het harnas, bejegent iemand kwalijk, gooit de kat erop (bederft een goede stemming), vgl. afkatten, kwetst iemand in zijn eer, kwetst iemands gevoelens, kwetst iemands goede naam, loont goed met kwaad, behandelt iemand onheus, wordt persoonlijk, tast iemand in zijn eer/ zwak, tast anderen in het gemoed, veronaangenaamt iemand het leven, veegt/ dweilt de vloer met iemand aan, behandelt iemand als een stuk vuil

glad een gladde, gladde jongen/ vogel, glad ventje,watergladde vent, gedraagt zich panurgisch [Gr. panourgos, handig, sluw, Panurge is een figuur uit Rabelais' Gargantua en Pantagruel], heeft een gladde tong

pronkerig pronkziek, fier als een pauw, een jakkepoes (gew.), pronkepink, schijtkont (sic, pronkzuchtig meisje), een kale pronker, staat altijd te pronken, doet defterig, houdt van zwier/ opschik

verwend suikerkind (gew.), suikerpikkie (vertroeteld kind), over het paard getild, in de watten gelegd, krijgt altijd zijn zin

boosaardig een Ka´n [Gen. 4:8, Kaïn, zoon van Adam, doodde broer Abel], een megera [Megaira, Griekse schikgodin, vrl.], oude tang, tang van een wijf, zit voortdurend te grimlachen, zijn ogen steken van boosaardigheid

ijzig onbewogen, onaangedaan

onmenselijk inhumaan, onmens

begerig happig, greetneuzig (gew.), hongerige luis, greetneus (gew.), is ergens op gebekt (gew.), vinnig/ tuk op iets, is als de bok op de haverkist, is als een geit/ muis op een haverzak, gaapt ergens naar (gew.)

rancuneus vervuld van gal/ wrok, vol rancune, heeft rancunegevoelens, groeit in andermans leed, heeft de hak/ pik op iemand, draagt iemand iets na, werpt iemand iets voor de schenen

zemelig zit altijd te zemelen

fascistisch fascist

afschuwwekkend wekt afschuw

ingemeen door en door gemeen

liefdeloos voelt voor niemand enige liefde

pedant waanwijs, kapsoneslijer, kwast, pedanterik, waanwijze, wijgoochem [Hebr. wechockme, we (en) met de betekenis van overgedoseerd + chockrne, wijsheid, Barg], bijgoochem, smaler, heeft kapsones [Hebr. ga'awtanut, hoogmoed], zit vol pedanterie, beeldt zich heel wat in

ploerterig ploertig, ploert

wreedaardig wreedteder, ravemoeder (ontaarde, wrede moeder)

louche een duistere figuur, is er een van de derde kwaliteit, heeft duistere praktijken

baatzuchtig exploiteert anderen

naar boven

II+V-
GOEDIG, GOEDMOEDIG, GEMOEDELIJK

goedig een bollebuis (gew.), bonhomme, goedzak, Jan Hen, lammetje schuurzand, kalf van een vent

goedmoedig genietelijk (veroud.), best mens, loont kwaad met goed

gemoedelijk een slok (gew.), niet streng, bezit gemoedswarmte, weet te geven en te nemen, kan tegen kritiek, maakt nergens een punt van, drukt een oogje toe, ziet dingen door de vingers, laat zich dingen welgevallen

gewillig vliegt op het lijmstokje, laat zich paaien

toegeeflijk laat iemand in zijn geloof, spreekt niet tegen, wil iemand involgen (veroud.), pallieert/ vergoelijkt iemands gedrag, strijkt met de hand over het hart, doet water in zijn wijn

doodgoed door en door goed

meegaand weerstandloos, meeprater, geneigd tot een compromis, met een zoet lijntje te vangen, van klankbodemhout gemaakt, heeft een smijdig [Mhd. gesmidec, gemakkelijk te bewerken door smid] karakter, laat zich van alles aanleunen, laat zich bepraten, zegt overal ja en amen op, kan geen nee zeggen, aanvaardt dingen voetstoots

gedienstig dienstbaar, obligeant, verplichtend, dienstvaardig, modderaar, probeert iedereen te vriend te houden, loopt mensen achter hun gat aan, leent zich ergens toe, loopt in het lijntje

willig laat zich met een stro trekken, laat zich niet lang verzoeken

naar boven

II-V+
OPSTANDIG, DWARS, VEELEISEND

opstandig muitziek, tuimelziek (veroud.), beeldenstormer, raddraaier, tuimelgeest, oproerkraaier, gaat de barricaden op, schudt de breidel af, zegt iemand de gehoorzaamheid op, steekt de hoorns op, steekt het hoofd op, keert zich tegen iemand, komt in opstand, revolteert, slaat de verzenen tegen de prikkels [verzenen zijn hielen, Hand. 9 VS. 4-5, Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan.], gaat in vruchteloos verzet, uit een vlammend protest, lijdt aan tuimelzucht (veroud.), verzet zich met handen en voeten

dwars dwarshoofd, dwarskop, kwar (gew.), knoest (gew.), dwarse lomperd, doet averechts, ligt altijd dwars, zit anderen dwars, zet iemand de voet dwars, gaat overal dwars tegenin, voert obstructie, rijdt iemand in de wielen, betwist iemand een recht

veeleisend vertoont een exigeant gedrag, heeft heel wat in de akte, heeft veel noten op zang, heeft veel complimenten, 't is alles of niets bij hem, stelt hoge/ overdreven eisen, gaapt te wijd, spant zijn streng te stijf, eist te veel, vergt/ verlangt/ vraagt/ eist het onmogelijke van mensen

weerspannig distelig, weerspanneling, mouwverdraaier (Barg., tegenstrevende opposant), altijd aan het distelen, heeft een verzetshouding, laat het hoofd op de ellebogen rusten, gooit de kont tegen de krib, stelt zich schrap/ teweer, vertrapt het dingen te doen, pleegt lijdelijk verzet, verzet zich overal tegen, weigert dingen vlakaf/ vlakuit/ vlakweg

obstinaat protesteerder, frondeur (principiële opposant), halsstarrig mens, overal op tegen, altijd aan 't fronderen, werkt in stilte tegen, heeft een protesthouding, verbruit/ verdijt (veroud.)/ verdomt/ verdraait/ verkoloniaalt/ verlamt/ verroest/ vertikt/ vertrapt/ vervloekt het om dingen te doen, weigert iets, neemt het bit tussen de tanden, zet zijn veren overeind, trotseert verboden

sarcastisch sarcast, zegt dingen met sarcasme

eigenzinnig hoofdig (veroud.), een eigenheimer, oelepetoet (gew.), heeft een starre eigenzinnigheid, laat zich niets gezeggen, laat zich niet overhalen/ overreden, laat zich nergens toe prêteren, doet alles op zijn eigen houtje, volgt zijn eigen hoofd/ kop/ zin, gooit zijn kop in de wind, werkt zijn kop uit, doet zijn eigen raad, zijn haan moet altijd koning kraaien, roeit tegen de stroom op, tornt tegen de algemene overtuiging op, met hem is geen ree te schieten [ree is grenslijn, greppel], met hem is niets te beginnen, gaat tegen wind en stroom, drijft zijn zin door

eigengereid eigenmachtig, gelijkhebberig, neuswijs, gelijkhebber, wil van niemand iets aannemen, wil altijd gelijk hebben, wil het laatste woord, denkt boven de wet te staan, laat zich niets zeggen

weerbarstig weigerachtig, stribbelaar, weigeraar, stribbelt altijd tegen, altijd aan het tegenkanten, heeft een wrevel gemoed, heeft een stijve nek, houdt zich stijf, maakt capties/ chicanes, vormt een dissonant, laat zich niet drillen, pleegt halsstarrig verzet, komt altijd met maren aan, doet iets alleen onder protest

cynisch cynicus [Gr. Kunikos, bitter, honds], heeft gevoel voor zwarte humor

recalcitrant dwarsdrijverig, stribbelig, dwarsdrijver, polemist, raisonneur, een Jantje contrarie, altijd anti, altijd in de contramine [Fr. contremine, tegenmijn, een onderaards werk om de uitwerking van de tunnels van de vijand te beletten, om diens mijn te vernielen], altijd in de contrarie, tegen het heil (gew.), tegen de keer/ draad in, altijd aan het spetteren/ sporrelen (veroud., gew.)/ tegensputteren/ bekvechten/ katvechten (gew.)/ kathalzen [veroud. Nl. kathalstrek, spel waarbij twee mannen op handen en voeten en met een touw om hun hals moesten proberen elkaar omver te trekken]/ moelvechten/ plukharen/ polemiseren/ raakrooien (gew.)/ harrewarren/ schermutselen, doet spastisch, stribbelt tegen, doet iets om te epateren, doet dingen `pour ‚pater le bourgeois', speelt de dwarsfluit, met hem valt geen goed garen te spinnen, kant zich overal tegen. stelt zich overal tegen teweer, verklaart zich altijd vierkant tegen, voert graag polemieken

hardnekkig

aanvallend agressor, aanvaller, gaat direct in de aanval, gaat in het offensief, maakt een vuist

eigenwillig heeft een willetje, doet wat hij wil, wil alles zelf bedrillen, doet alles op zijn eigen manier, wil het rijk alleen hebben, handelt naar willekeur, gaat willekeurig te werk, veroorlooft zich willekeurigheden

halsstarrig doordrammerig, doordrammer, doordrijver, heeft een stege (gew.) aard, steekt de kam op, houdt altijd stijf en star vol, geeft geen voet toe, wijkt geen voetbreed, drijft dingen altijd op de spits, drijft zijn wil/ zin door

woest woestaardig, bolderig (gew.), geweldigaard, ruitenbreker, woesteling, woestaard, een razende Roeland [It. Orlando furioso titel van gedicht van Ariosto (1515) over Roeland de dapperste ridder van Karel de Grote.], is altijd aan het rausjen (Barg.)/ rauzen (Barg.), heeft de wind in het hoofd, geeft lament, gaat tekeer als een duivel in het wijwatervat

naar boven

III Zorgvuldigheid

naar boven


III+I+
VLIJTIG, ARBEIDZAAM, WERKWILLIG

vlijtig naarstig, noest, een loodaars (zit altijd te werken), zitster, een bedrijvige Martha [Luc. 10:8-42, Doch Martha was zeer bezig met veel dienens], werkt met noeste/ stage/ taaie/ onvermoeide vlijt, gaat op zijn tenen staan (spant zich erg in), doet vlijt/ moeite, werkt met vlijtbetoon, houdt niet van lediggang

ijverig laborieus, studieus, volijverig, harde/ stoere werker, bodder (gew.), werkezel, sloof, pezer, ploeteraar, altijd aan het bokselen (gew.), bezit werkdrift, werkt zich lam, werkt zich het apezuur, werkt zich de ballen uit de broek, werkt zich het bloed onder de nagels vandaan, werkt zich de blubber/ blaren, werkt zich het rambam [verkort uit de persoonsnaam rabbi moshe ben maimon (Maimonides, 1135-1204]/ lazer [lazarus, melaatse]/ leblazarus/ lebbes [vermoedelijk van lijplazarus], loopt de benen uit het gat, loopt het vuur uit zijn sloffen, werkt met ijver, werkt als een ploegpaard, schuwt geen moeite

arbeidzaam werkachtig, werkzaam, wrede (sic) boer, sappelaar, schrooier (Barg.), ploeteraar, werkbeest, werkduivel, werkezel, workaholic, werkverslaafde, zwoeger, altijd in het gerei, altijd aan het kathalzen [zie bij 'recalcitrant']/ krasselen (gew.)/ schrooien (Barg.)/ zwoegen/ sjouwen, lijdt aan werkzucht, rept/ roert de handen, laat de handen wapperen, steekt de handen uit de mouwen, slaat de handen aan de ploeg, gaat op de pedalen staan (spant zich extra in), maakt zich te sappel, verricht/ verstouwt veel werk, werkt in het zweet zijns aanschijns, werkt als een paard, wrocht hard, werkt zich in het zweet, zwoegt voor het dagelijks brood

werkwillig

nijver nijverig, een nijvere bij

praktisch practicus, man van de praktijk, heeft een praktische geest, heeft een praktisch vernuft, weet zijn handen te gebruiken, weet overal een mouw aan te passen [vroeger droeg men losse mouwen, een handige kleermaker of naaister kon een mouw aan een of ander lijf passen]

kranig een kraan, houdt zich kranig, toont ruggengraat

gelovig

naar boven

III-I-
LAKS, ARBEIDSSCHUW, VERSTROOID

laks sloffig, een lauwaard (gew.), laatkomer, lauwe ziel, geneigd tot slofheid, laat dingen op hun beloop/ verloop, laat dingen maar waaien, laat iets sloffen, laat dingen in het riet lopen, laat de boel draaien/ vlotten, laat de boel in de lap/ lappen hangen (verwaarloost de boel), laat Gods water over Gods akker lopen, maakt zich ergens met een Jantje van Leiden af [Jan van Leiden of Jan Beukelszoon, hoofd der Wederdopers, in 17de eeuw bekend als man die door `syne bedriechlicke scherpsinnicheydt ende cloekheydt' mensen bedroog, een mooiprater], komt altijd te laat, sloft met dingen, violeert overeenkomsten/ afspraken

arbeidsschuw bootafhouder, lijntrekker, heeft een ergofobie (werkschuwheid)

verstrooid distract, afgetrokken

beginselloos draaier, draaikont, iemand zonder beginselen, altijd aan het draaikonten

narcistisch narcissus [Narcissus, zoon van de riviergod Cephisus en de nimf Liriope, versmaadde de liefde van de nimf Echo. Tot straf zorgde Nemesis dat hij verliefd werd op zijn eigen spiegelbeeld in het water, zodat hij van verlangen verteerde], krachtpee, krachtpatser (onbehouwen narcistisch)

vaag wazig, heeft schemerige opvattingen

laf pusilaniem (kleinmoedig), broekschijter, jakhals, kakbroek, koet (gew.), lafaard, lafbek, lefwammes, papeter, een platzak (gew.), tiet, vlasbaard, vlasbek, te bescheten om een fout te erkennen, een vijg van een vent, houdt zich altijd buiten schot

verdorven liederlijk, minderwaardig, monsterachtig, monsterlijk, monstrueus, mouter (eig. overrijp), perfide, demonisch, schandalig, schandelijk, schandaleus, smiechtig, tuchteloos, verachtelijk, vunzig, repugnant, vervloekt, verworden, verworpen, weerzinwekkend, gedebaucheerd, verliederlijkt, gedepriveerd, verloederd, boef, booswicht, demon, donderhond, kloothannes, kloothommel, klootjavaan, klootoog, klootzak, klophengst, rabauw, klotebibber, kloot, monster, krak, lorejas (gew.), schelm, onverlaat, pest, pestvent, plaatboef, plodde, ravenaas, schurk, roffiaan (veroud., hoerenwaard), satanskind, schandaal, schurftnek, schurk, sjanfoeter [Fr. jean-foutre, gew.], deugniet, smeerlap, smeerkees, scharluin (veroud.), scherluin, schavuit, schun, schunnelap, schunnerd, smiecht, smiek, verdoemde, verdoemeling, verdommeling, verrekkeling, vervloekeling, verworpene, vuns, zwabberaar, zwijn, zwijnegel (gew.), zwijnjak, schoelje, schotbeest, vuile bras, eervergeten schurk, schurftige hond, schunnige kerel, lelijke stinkerd, verlopen sujet, brok ellende, stuk ongeluk/ tinnef/ falderappes/ gajes, zwabber van een vent, brandhout voor de hel, tot minheden in staat, te kwader trouw, door de wol geverfd, volleerd in het kwaad, van God en alle heiligen verlaten, altijd aan de zwabber, heeft een zwarte ziel, heeft een zwijneaard, heeft geen haar op zijn kop dat deugt, altijd aan het kloothannesen/ zwijnen/ zwijnjakken, haalt boevenstreken/ boevenstukkenlsmeerlapperijen/ smeerl appenstreken uit, haalt schunnige/ schurftige/ smerige streken uit, pleegt schanddaden/ wreveldaden/ euveldaden, vertoont infaam/ stuitend gedrag, gaat kromme/ verkeerde gangen, draagt het Kaïnsteken aan zijn voorhoofd [teken dat God na de moord op Abel op Kaïns voorhoofd drukte (Gen.4:15)], aan hem valt niets meer te bederven, schandaliseert zich, zijn gedrag strekt tot schande, leidt een schandelijk/ schandig leven, laat zich in met schurfte zaken, behandelt mensen smerig, leeft in verdorvenheid, behoort tot het vee, behoort tot het vee van Laban/ de richel [richel is wellicht smal bankje in de engelenbak van de vroegere Amsterdamse Schouwburg; of tuig, het Friese tuch, stof, dat zich verzamelt op richels], maakt mensen tot vijand, haalt zich vijandschap op de hals

achterbaks heeft altijd bijbedoelingen, haalt menistenstreken uit [menist: afgeleid van de voornaam van Menno Simons, 1496-1561, doopsgezinde]

onrechtvaardig trapt iemand in de hoek, doet mensen onrecht, meet met twee maten, verdraait/ buigt/ kromt het recht, treedt het recht met voeten, verongelijkt mensen, trekt iemand voor, doet aan vriendjespolitiek

naar boven

III+I-
VOORZICHTIG, SERIEUS, PERFECTIONISTISCH

voorzichtig bedachtzaam, gaat menageus met mensen om, bang zijn handen aan koud water te branden, blijft uit de kink (veroud.), loopt op kousevoeten, gaat op scheuvels (gew.), gaat niet over één nacht ijs, houdt zich als een koud kieken, mijdt risico's, speelt op safe/ zeker, zegt niet meer dan hij kan verantwoorden, wacht zich voor gevaren, neemt het wisse voor het ongewisse, neemt het zekere voor het onzekere

serieus lijkt wel een dominee, neemt alles in ernst op

perfectionistisch perfectionist, heeft een perfectiedrang, maakt overal een heiligavond/heiligedag van

bezonnen beraden, welbedacht, welberaden, weldoordacht, doet dingen pas na rijp beraad, handelt pas na lang wikken en wegen, doet weloverwogen keuzes

doodernstig doodserieus, zwaarwichtig

behoedzaam angstvallig, handelt circumspect/ omzichtig/ weigerlijk (sic, gew.), is altijd op zijn qui-vive/ hoede, kijkt de kat uit de boom, omzeilt klippen, zeilt tussen de klippen door, slaapt ergens eerst een nachtje over, doet alles met beleid, doet dingen stap voor stap/ stapsgewijs

naar boven

III-I+
ROEKELOOS, LOSBANDIG, ONBEZONNEN

roekeloos waagziek, sensatiebelust, een sofer (volkst., roekeloos autorijder), lijdt aan sensatiezucht, bezit waaglust, ziet geen gevaar, vliegt om de kaars, danst op het slappe koord, speelt va-banque (roekeloos spel), speelt met vuur, voert een struisvogeltactiek, willens en wetens blind voor gevaren, tart gevaren

losbandig los, loszinnig, obsceen, bacchanalisch [Lat. Bacchanal, feest ter ere van Bacchus], een asmodee [Asmodee, naam van duivel], deugniet, bel (gew.), lellebel, kwispel (gew.), libertijn, schuinsmarcheerder, schuinsloper, vlaai, slet, doorroker (gew.), Venusjonker (veroud.), rou‚ (losbandig persoon uit aanzienlijke stand), rare rabauw, schuin heer, oude snoeper, losgeslagen type, van God los, altijd aan het labberlotten (veroud.)/ straatschenden, hangt de beest/ bram uit, gaat de breeveertien op [vermoedelijk ontleend aan de naam van een 14 vaam diepe zandbank voor de Hollandse kust; verder is er de associatie met Matth. 7:13, Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, ...], maakt estrapades (eig. zijsprong van paard)/ slippertjes, galoppeert door de wereld, gaat op de lappen, gaat aan de zwier, zijn gedrag getuigt van ploerterij, leidt een losbandig/ schuldig/ schuin/ verboemeld leven, maakt het bont, wentelt zich in het slijk, houdt van wijntje en trijntje, geeft zich over aan uitspattingen, verboemelt/ verzwijnt zijn geld/ tijd, zijn welig vlees begint te jeuken, springt uit de band

onbezonnen lichtvaardig, onberaden, schieloos (veroud., gew.), een breekal, wulp, los van tong, begeeft zich op glad ijs, verkoopt ketterijen (wetenschappelijk niet verantwoorde zaken), handelt als een kuiken zonder kop, reikt naar de maan, wil de maan met de handen grijpen, handelt overhaast/ overijld/ plompverloren, wil hazen met de trommel vangen, verschopt zijn geluk met eigen voeten

losbollig loshoofdig, boemelaar, bon-vivant, ketser, losbol, loshoofd, passagierder, pier, pierewaaier, rolder, viveur, pretmaker, zwierbol, raveel (gew.), gaat aan de boemel/ pier/ rol/ zwier, gaat op zwadder, gaat op de loop, gaat aan het pierewaaien/ pieren/ rollen/ zwadderen/ zwierbollen/ zwieren, slaat de kreupele waard, zet de boel op stelten

onvoorzichtig imprudent, komt met de klompen op het ijs (waagt zich op onbekend terrein)

doldriest heeft een kop als een windmolen (gew.), heeft een dolle kop

genotziek genotzuchtig, genotzoeker

goklustig gokgraag, gokker, zit vaak te gokken, laat zich drijven door zijn goklust

naar boven

III+II+
OPPASSEND, CORRECT, WELGEMANIERD

oppassend

correct pront mens

welgemanierd manierlijk (veroud.), kent zijn wereld (heeft goede manieren)

net nugger (gew.), ziet er kadee [Fr. cadet, heer]/ netjes uit, in de puntjes verzorgd

fatsoenlijk behoorlijk, decent, hebbelijk, bonnet, ordentelijk, treffelijk (gew.), schappelijk (veroud.), welvoeglijk, neemt het decorum in acht, handelt naar behoren

proper schoon, altijd aan het rakken (gew.)/ rakkeren (gew., schoonmaken), ziet er verzorgd uit

normaal een gewoon mens

gemanierd gemaniëreerd (zie ook 'gekunsteld'), gepast, voegzaam, gedraagt zich als een heer, houdt van goede omgangsvormen, handelt met voeglijkheid/ gepastheid, doet zoals de voegzaamheid verlangt

toegewijd bekommerd om anderen, geeft zich geheel aan iets, doet dingen met overgave, doet dingen met hart/ lijf en ziel, doet dingen met hart en zin, doet wat in zijn vermogen ligt, handelt naar beste vermogen

discreet bescheiden, handelt met kiesheid/ discretie

eerlijk man van tref (gew.), gaat rechte gangen, loopt recht in zijn schoenen, gaat recht door het leven, speelt open kaart, komt altijd ergens rond voor uit

rechtzinnig orthodox, wandelt in de waarheid

onberispelijk leidt een vlekkeloos leven, op hem is niets aan te merken

huiselijk heemvast, hokvast geciviliseerd beschaafd

galant hoffelijk, ridderlijk, benadert mensen met galanterie

waarheidlievend waarheidminnend, waarheidspreker, heeft een waarheidsbehoefte/ waarheidsdrang/ waarheidszucht, spreekt altijd de waarheid, huldigt de waarheid

naar boven

III-II-
HARDLEERS, ASOCIAAL, GETIKT

hardleers leert niet van ervaringen

asociaal een aso (jeugdt.), klaploper [in M.E. liepen leprozen met een klapspaen (ratelaar) om hun komst aan te kondigen, opdat men voedsel voor hen neer zette], bietser, broodeter, uitvreter, parasiet, heitjespiejijzer [van heitje, kwartje + piejijzen, lettertaalwoord voor pezen], hommel, pannelikker, rooiepanner (vgl. leeft uit de rooie pan, in de bijstand), schuimloper, schuimer, smachtlap, smachtloper, tafelschuimer, teljoorlikker, palurk, proleet, prolurk, lummel, waardeloze vent, kleine hosselaar (pleegt kleine misdaden om aan geld voor drugs te komen), altijd aan het schoffelen (gew.)/ klaplopen, altijd bij iemand aan het pannelikken/ tafelschuimen/ smarotsen, ballast voor de wereld, ieder tot last, bietst altijd, loopt op de klap/ schoffel (gew.)/ slemp/ smacht/ schuifjes (gew.), loopt op schuim, loopt op een schuimpje, loopt op andermans zak, vegeteert op anderen, loopt met een vork in zijn zak, eet uit de rode pan (op kosten van een ander), laat mensen barsten/ zakken/ zwemmen/ verrekken/ links liggen, laat mensen aan hun lot over, laat iemand op zijn eigen riemen drijven, doet naar zijn believen, veegt met een ander zijn gat af, stelt de Kaïnsvraag [Gen. 4:9, En de Heere zeide tot Kaïn: Waar is Habel, uw broeder? En hij zeide: ik weet het niet; ben ik mijn broeders hoeder?], keert zich aan niemand, bekreunt zich om niemand, vertoont onmaatschappelijk gedrag, rommelt maar wat in de marge, voelt zich nergens toe verplicht, veronachtzaamt anderen, veegt overal zijn voeten aan

getikt knetter, nuver (gew.), knettergek, knots, knotsgek, mesjoche [Hebr. mesjuga, kranzinnig], mesjoege, mesjokke, besjokke, mesjogaas, mesjogge, stapel(gek), halfsnik, halfwijs, hoteldebotel, idioterig, geflapt (gew.), Stapelier (gew.)/ stapelierum (gew.)/ stapelierend (gew.)/ starnakel gek, helemaal wous (groepstaal), een beetje toktok, niet goed/ wel bij zijn hoofd, op zijn hoofd gevallen, niet helemaal goed in de knar, van Lotje getikt, van lorretje gepikt, van de papegaai gepikt, in zijn hersens geprikt, van nolletje geprikt, niet goed snik/ wijs, niet welwijs/ wijs, met de kei gekweld, niet bij zijn positieven, niet thuis, ver van huis, niet bij de zijnen, een zool, halfgare, halve gare, halve verdraaide, malle Eppie, voortdurend aan het kolderen/ raaskallen, heeft een tik/ kei in het hoofd, heeft de wervel (gew.) in het hoofd, heeft een klap van de (Kamper) molen/ molenroe/ molenwiek gehad, heeft de kolder in de kop, heeft een beet van het hondje, heeft rare hersenkronkels, heeft er een uit loofharken, heeft ze niet alle vijf op een rijtje, heeft ze niet allemaal op een rijtje, heeft er maar drie/ vier en een krentenkoek, heeft een vijs los, heeft een veeg weg (gew.), het schort hem in het hoofd, het schort hem onder de muts, het leutert [leuteren is oorspr. loszitten]/ mankeert/ scheelt hem in zijn bol/ bovenkamer, het mankeert hem in de hersens, het schort hem in zijn bovenste verdieping, het spookt bij hem op de vliering, het is hem in de hersens geslagen, de kei leutert [leuteren is oorspr. loszitten]/ reutelt hem (veroud.), bij hem is de molen door de vang (eig., rem) (hij maalt), loopt met molentjes, loopt in de rosmolen (veroud.), gedraagt zich kolderachtig, ÚÚn van de vijf is bij hem op de loop, ÚÚn van de vijf is bij hem aan het kuieren, ÚÚn van de vijf is bij hem om koffiebonen uit, er loopt ÚÚn van de vijf bij hem te spelen, er zit bij hem een moertje/ schroefje los, aan hem is een steekje los, er loopt bij hem een krats/ streek/ streep door, het schort hem in de teen waar de boeren de hoed op dragen, hoort in nummer elf te zitten, ziet ze vliegen

ongegeneerd sans gêne, hofjesachtig ongegeneerd, neemt wat hij krijgen kan

abnormaal ongewoon

geschift geschoffeld, geschuffeld

onfatsoenlijk ignobel, onbetamelijk, onbehoorlijk, onethisch, onnet, onordentelijk, onwelvoeglijk, wanhebbelijk (veroud.), wanvoeglijk, strekt zijn familie tot oneer, doet iets ongehoords/ onvoegzaams, rijdt een scheve schaats, wat hij doet geeft geen voeg, vertoont wangedrag, overschrijdt de grenzen der welvoeglijkheid

ongemanierd onmanierlijk, slechtgemanierd, een dorper, mop (veroud.), sjappie, sjappietouwer [Mal. siapa tahu, wie weet het, weet ik het, een vaste uitdrukking van het ruwe volk], Jan Vlegel, heeft straatmanieren, heeft geen manieren, doet als de Maas bij Bokhoven (gaat zonder groeten voorbij), hakt met de botte bijl

bandeloos schouw, woest

schaamteloos impertinent, insolent, onkies, onwaardig, een onterechte kerel, heeft alle schaamte afgelegd/ uitgeschud/ uitgetrokken/ verloren, heeft een wijd geweten, heeft geen eergevoel, heeft een bord voor zijn kop, heeft een plank voor het hoofd, heeft een voorhoofd van staal, heeft een stalen voorhoofd, pronkt met geleende veren, pronkt met de veren van een ander, deinst/ schrikt nergens voor terug, doet iets zonder blikken of blozen, stoort zich aan God noch gebod, pleegt impudenties/ onbeschaamdheden, geneert/ schaamt zich nergens voor, trekt de schaamschoenen uit, werpt de schaamschoenen weg

banaal platvloers, vertelt banaliteiten, gedraagt zich terre Ó terre

vernielzuchtig vernielziek, vernielal

onattent niet voorkomend

zonderling impraktikabel, vreemd, krullig, zonderbaar, wonderlijk, onwezenlijk, een potmus (gew.), kwibus, weird, weirdo (jeugdt.), hapschaar [Fr. happe-chair, happer (vastpakken), chair (vlees)], origineel, origineeltje, paskwil [It. pasquillo, verkleinv. van Pasquino, beeld in Rome waarop spotdichten werden aangeplakt], vreemde gast/ snaak/ apostel/ vogel, vreemd potnat, raar gebakje/ heerschap/ poteten [in de middeleeuwen noemde met gekookt eten pot-eten]/ produkt, rare hotemetoot/ kwant/ mos/ neet/ patien (Barg.)/ pee [verkort uit peer: Fr. pŠre, gew.]/ piechem [Hebr. pegimah, klein gebrek, oneffenheidje]/ pief/ pindachinees/ poepchinees/ poespas/ potentaat/ prent/ quidam/ kwast/ Chinees/ schutter/ snuiter/ sinjeur/ snaphaan/ snoeshaan/ snijboon/ snijer/ snuiter/ strosnijer/ vink/ zwans (gew.), een vieze kadee [Fr. cadet (heer), gew.], wonderlijk maaksel, wonderlijke heilige, een beetje een rare, heeft vreemde ideeën, heeft een rare kronkel, heeft een krul meer in zijn staart dan een gewoon mens, rijdt een vreemde schaats, er is aan hem een torntje los

tactloos heeft geen tact, geeft aanstoot, neemt mensen niet au sÚrieux

decadent bezit een verworden beschaving

grootdoenerig banjerheer, blaaskaak, blagueur, fanfaron, grootdoener, krotter (gew.), praalhans, hapschaar [Fr. happe-chair, happer (vastpakken) + chair (vlees), gew.], krotheer (gew.), kale jonker, would-be gentleman, grand seigneur, een bram van een vent, een jan van een bram, is altijd aan het lawaaien/ pruisen/ madammen (gew.), maakt kouwe drukte, doet opgeblazen, heeft veel praats, hangt de banjer/ bink/ dame/ madam uit, hangt de gebraden haan uit, hangt grote heer/ Piet uit, speelt de juffrouw/ sinjeur, heeft een bek als een hooischuur (een grote bek), heeft een krul in zijn staart, heeft veel noten op zijn zang, heeft veel lawaai op zijn lijf, heeft een putlut op z'n lijf, heeft een dikke nek (gew.), heeft koude drukte, heeft sterallures/ verbeelding, dikt verhalen aan, neemt een air aan van een gewichtig mens, loopt altijd te banjeren, maakt veel branie, voert bram op bram, maakt groot vertoon, maakt drukte en omslag, maakt een hoop fanfare, maakt jacht op effect, speelt op effect, zijn gedrag is op effect berekend, loopt met teveel fatsoen aan zijn gat (gew.), doet dingen voor de galerij (om op te vallen), doet zich groter voor dan hij is, voelt zich important, meent dat 's keizers kat zijn nicht is, loopt naast zijn schoenen, handelt ostentatief, verwekt opzettelijk opzien, wat hij beweert is retoriek, wat hij doet is schuimklopperij, stelt iets rooskleuriger voor dan het is, maakt van een scheet een donderslag, speelt op de grote viool, wil hoger vliegen dan hij kan

ontoerekeningsvatbaar ontoerekenbaar, onvoorspelbaar

dwaas crazy, ridicuul, hoofdeloos, zinneloos, een dwaashoofd, dwaaskop, een lijp, lijperd, lijpkikker, lijpo, schertsfiguur, een dwaze dwarrel, een geit van een vrouw, niet serieus te nemen, dwars gebakken, gedraagt zich op inepte wijze, heeft groteske ideeën, weet van gekkigheid niet wat hij doen zal, wat hij zegt is narrisjkat (Jidd. Barg.), begaat sottises/ dwaasheden

idioot een simpelaar (gew.)

destructief vandalistisch, vandaal, vandalist, verwoester, uitzuiger, schoffeert/ verkracht/ onteert/ schendt/ verderft/ naait mensen, zuigt mensen uit, stort mensen in het verderf/ ongeluk, vergalt iemand het leven, maakt iemand het leven zuur, bezorgt anderen overlast, zet iemand onder de pekel, haalt iemand door de pekel, brengt mensen in het nauw, zet iemand een luis in de pels, berokkent iemand nadeel, brengt iemand op het schavot, neemt mensen te grazen, haalt iemand de stoel onder zijn gat vandaan, zaagt bij iemand de poten onder zijn stoel weg, steekt iemand een stok in het wiel, gooit iemand een stok tussen de benen, trekt iemand een veer uit de staart, heeft een verderfelijke invloed op mensen, traineert/ verkankert een zaak, schopt een zaak in de war, gooit roet in het eten, richt verwoestingen aan

krankjorum

misdadig misdadiger, maakt zich aan een misdaad schuldig

vreemd verwonderlijk, een vreempje

ruig hakt er met de grove bijl op in

snobistisch parvenuachtig, artiestenvlo, kunstvlo, coryfeeënplakker, blablafiguur, patjepeeër, poen, filosofaster, quasi-filosoof, opkomeling, parvenu, showbink, showlijder, showpik, snob, afficheert zijn kennis, loopt met zijn kennis te koop, neemt de allures aan van een grote dame, vergaapt zich aan de schijn, doet iets alleen voor de show, lijdt aan titelzucht, verheft zich op zijn stand/ rijkdom

onbehouwen lummelig, lummelachtig, lamlottig, lamzakkig, revoltant, slungelig, slungelachtig, terribel, grofstoffelijk, hufterig, vlegelachtig, zakkerig, zakkig, een bink, brokkenmaker, brokkenpiloot, bulldozer, babok [vermoedelijk Port. baboca, dwaas], grobbejanus (grove lomperd), hooizak, botterik, hosklos, hufter, hurk, kashengst, laplander, kleerkast, klos, kluit, lamlendeling, lamlul, lammeling, lammelot, lamstraal, lamzak, lazersteen, lazerstraal, oetlul, paardelul, potuil, schijthuis, schijtlul, vlegel, zak, zakkenwasser, een lamme/ lammenadige kerel, ongelikte beer, kwade blok/ brok (vrl.), onbehaaide (gew.) vent, zak tabak, beul/ gofferd/ lummel van een vent, stoot mensen voor het hoofd, grieft anderen, als hij de mond opendoet springen de kikkers eruit, gaat als een olifant door de porseleinkast, drukt zich ongenuanceerd uit, zegt mensen ongepeperd/ ongezouten de waarheid, schopt iemand tegen de schenen, zijn gedrag is stotend

blufferig opkammerig, ronkerig, branieschopper, bluffer, braniegast, braniemaker, keker, olibrius [Olibrius, Romeins senator werd in 462 keizer, maar moest wegens ongeschiktheid al gauw het veld ruimen], pochhans, pooier, patser, praatjesmaker, praatsmaker, ronker, snoever, winderig heertje, opgeblazen kikker, hol vat, een held met de mond, heeft veel bravoure, heeft kale bluf, zit altijd te snoeven/ stoefen/ knitteren (gew.)/ kraken (gew.), slaat bluf, schopt branie, spreekt bravouretaal, denkt dat hij het gras kan horen groeien (beeldt zich veel in), vertoont een opgeschroefd gedrag, hangt praatjes op, gebruikt ronkende woorden, wat hij zegt is snoeverij/ stoef (gew.)

zwammerig een zwam, zwammer, zwamneus, zit voortdurend te zwammen, leutert mensen aan hun oren

onbeschaamd dikhuidig, onbeschaamderik, blekt naar mensen (kijkt mensen ongegeneerd aan)

vandalistisch vandaal

balsturig [Mnl. bal, slecht + sturen, moeilijk te sturen]

onwaarachtig niet wat hij schijnt te zijn, gebruikt schijnredenen/ voorwendsels/ drogredenen/ sofismen, debiteert schijnwijsheden, maakt altijd ergens een schijnvertoning van

zedeloos liederlijk, een konkel (vrl.), slet, klodde (gew.) van een meid

afgestompt zijn geest is verstompt

corrupt gecorrumpeerd, omkoopbaar, laat zich corrumperen

slinks lasterziek, roddelziek, verneukeratief, een kuiper, intrigant, spion, verneuker, verneukeraar, addertong, lasteraar, lastermond, lastertong, oorblazer, racketeer (afperser), roddel, roddelaar, schendbrok (veroud.), schendtong (veroud.), slangevel (vrl.), vuilspuiter, vuiltong, gladde rakkerd, wolf in schaapskleren/ een schapenvacht [Matth. 7:15, Maar wacht u van de valse Profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven], altijd aan het kuipen/ intrigeren/ tergiverseren (uitvluchten zoeken), heeft praat over anderen, heeft streken op zijn kompas, heeft een slangentong, beduvelt/ flest/ verneukt/ verneuriet/ vernikkelt/ verpiert/ bekladt/ diffameert/ belastert/ schandaliseert mensen, levert iemand een advocatenstreek, betaalt iemand met apemunt/ mooie praatjes, licht iemand een beentje (werkt iemand op listige wijze ergens uit), legt iemand in de doeken (gew.)/ luren, flikt iemand een kunstje, zet iemand een hak, neemt iemand op de heupzwaai (Barg.), laat iemand er inlopen/ inluizen/ instinken/ intuinen, draait iemand een loer, speelt iemand een toer (gew.), neemt mensen beet/ tuk, leidt iemand om de tuin [oorspr. betekenis van omheining, dus niet in maar om de hof], zet iemand een voertje (Barg.), brengt iemand in diskrediet, voert een hetze tegen iemand, werpt een klad op iemand, wrijft iemand een klad aan, legt iemand een lak op, sleurt iemand door de modder, haalt mensen door het slijk, brengt mensen op de praat/ spraak, brengt iemand in opspraak, maakt iemand te schande, schendt iemands eer/ goede naam, schildert iemand zwart, steelt iemands eer en goede naam, gooit stenen op iemand, brengt iemand op straat, haalt iemand door de stront, haalt mensen over de tong, maakt iemand verdacht, bereikt zijn doel langs bijwegen, doet alles met een ergje (bijbedoeling), houdt zich bezig met intriges, moddert met beginselen, volgt slinkse wegen, pleegt diffamatie (eerroof), verkoopt lasterpraatjes, lijdt aan lasterzucht, gooit niet modder, houdt zich bezig met oorblazerij/ oorblazingen, wat hij zegt is roddel/ roddelarij/ roddelpraat, vertelt roddeltjes, lijdt aan roddelzucht, strooit praatjes rond, strooit valse geruchten uit, gooit met vuil, trompet/ zegt alles uit, vertelt dingen rond, verraadt dingen, uit verdachtmakingen, wat hij beweert is vuige laster, spuugt zijn zwadder op iemands goede naam uit, doet aan zwartmakerij/ zwartmaking

zot zot als een mus, zot als Tielebuis [hoofdpersoon van klucht uit 1541, gew.], zot als een top (gew., draaitol)/ deur (gew.), toppezot (gew.), tukkezot (gew.), grielig, mallotig, een hansworst [Hd. Hans Wurst], harlekijn, potsenmaker, kwast, lariefarie, zottin, zotskap, zottebol, altijd aan het zottebollen/ grielen (gew.), vertelt ijle (flauwe praat)

protserig protsig, protser, zit altijd te protsen

gulzig slokachtig, slokkerig, stokkig, gulzigaard, schrokker, schrok, schrokhans, schrokhals, schrokop, veelvraat, zwelger, schrokt zijn eten naar binnen, zit altijd te zwelgen en te brassen

boers boerachtig, boerig, een boer op klompen, is uit de klei getrokken

oneerlijk diefachtig, malafide, bedrieglijk, een bedriegal, kwartjesvinder, boerenbedrieger, defraudant, gannef, gapper, jatmous [Hebr. yad (hand) + maot, geld, Barg.], dief, zwendelaar, ladenlichter, loentjesmaker, smoesjesmaker, loenenaar, valsaard, nepper, oplichter, sjoemelaar, slingeraar, bedrieger, snees (Barg.), streeptrekker (Barg), uilenvanger (Barg., gew., heler), zwendelaar, kleine scharrelaar, valse bliksem, tik-op-de-schaal (oneerlijke kruidenier), zo vol bedrog als een ei vol zuivel, niet zuiver op de graat, altijd aan 't gannefen/ stelen/ gappen/ loenen/ sjoemelen/ tuitelen (gew.)/ vervalsen/ sjacheren/ zuren (gew.)/ liegen en bedriegen, heeft lange vingers, heeft geen begrip van mijn en dijn, bedondert/ lubt/ strikt/ bedriegt/ nept/ paloetert (gew.)/ palult [Jan Palul, voddenman, ook: iemand die niet deugt, gew.]/ piepelt/ belazert/ potert (Barg.)/ stropt (gew.)/ tilt/ verknolt/ vernaait/ vernaggelt [van nagel, in het Rotwelsch nageln=neuken, dus verneuken]/ vernoggelt/ verneukt/ vost (gew.) mensen, foefelt eronder (doet oneerlijk), verkoopt mensen knollen voor citroenen, bakt iemand een part, schiet onder iemands duiven, licht iemand de huig, licht iemand op, verkoopt mensen kool, stooft iemand een kool, neemt mensen bij het lijf, zet iemand een toentje, laat iemand erin lopen/ luizen/ pruimen, zet iemand een wassen neus aan, neemt mensen bij de neus, bedriegt iemand met open ogen, strooit iemand zand in de ogen, draait mensen een rad voor de ogen, naait iemand een oor aan, draait iemand een poot uit, speldt mensen iets op de mouw, trekt iemand op stopen (gew.), trekt iemand een tand, tast iemand in het kruis, steekt iemand in de zak, neemt mensen in de zeef/ zeik, stuurt iemand aan het kuieren, neemt iemand op teil, geeft iemand een zeperd, draait iemand een loer, leeft van de nep, houdt zich bezig met onderkruiperij, gebruikt oplichterspraktijken, houdt zich bezig met onfrisse zaakjes, doet aan oplichterij, gebruikt oplichterstrucs, bewandelt slingerpaden, speelt geen zuiver spel, steelt als een raaf, trekt een streep (Barg.), liegt gelijk een tandentrekker, verdonkert/ verdonkeremaant zaken, verrijkt zich ten koste van iemand, wat hij doet is pure zwendel

ordinair lellig, een lel, lellebel, del van een wijf

dandy-achtig dandyesk, dandy

melig een zever, zeveraar, zeverbaard (gew.), altijd aan het truten (gew., flauwe grappen uithalen), zit voortdurend te zeveren (gew.), verkoopt flauwe praatjes

naar boven

III+II-
STRENG, KIESKEURIG

streng rigide, straf in de leer, zo hard als een spijker, treedt rigoureus op, man van tucht, heeft een ijzeren gestrengheid, heeft rigoristische opvattingen, laat zich leiden door rigorisme (al te strenge opvattingen over zedelijke verplichtingen), drijft iemand op de spits, dwingt iemand tot reactie/ strijd, rijdt mensen op de stang [eig. de stang het bit waaraan een paard de teugel voelt], houdt de teugel strak, regeert met strakke hand, heerst strengelijk, handhaaft een strenge tucht, heeft de wind eronder

kieskeurig kreen, netjes, heeft een keurige smaak, trekt overal zijn neus voor op, pluist/ neemt het nauw

naar boven

III-II+
NONCHALANT, ARGELOOS

nonchalant een Jan Tijdgenoeg, heeft een houding van laisser-aller, rabbelt/ raffelt zijn werk af, maakt zich overal met de Franse slag van af, legt ergens de Franse zweep over (doet dingen haastig en zonder zorg), doet dingen op z'n janboerenfluitjes, laat alles achter zijn gat liggen, loopt overal de kantjes vanaf, doet alles klakkelings/ lukraak, gooit ergens met de muts/ pet naar, het komt er bij hem niet zo nauw op aan, neemt het niet zo nauw, kijkt niet zo nauw, gaat onzorgvuldig te werk, doet alles uit de losse pols, maakt overal een potje van, vermorst zijn tijd/ leven/ geluk/ geld, versleurt/ verwaarloost dingen, laat zijn zaken versloffen

argeloos candide, onergdenkend, zonder argwaan, heeft nergens erg in, koestert illusies, weet van de prins [vermoedelijk uit de tijd van de Prins van Oranje van wie men geen kwaad wilde horen], weet van de drommel, weet van God geen kwaad

naar boven

III+III+
ZORGVULDIG, NAUWGEZET, STIPT

zorgvuldig tuik (gew.), zorgvol, komt beslagen ten ijs, overweegt dingen rijpelijk, behandelt dingen soigneus, doet alles met studie/ overleg/ zorg en toeleg

nauwgezet nauwnemend, strikt, zit altijd te plussen en minnen, loopt de kantjes af (sic, verschil met `er af'), neemt het op de kerfstok (neemt het nauw), het steekt bij hem nauw, levert pertinent (veroud.) werk, gaat methodisch te werk, gaat met striktheid te werk

stipt puntelijk, prompt, stipt op tijd, zet de puntjes op de i

precies preciezerig, preciezig, meticuleus, preciezerd, Pietje precies, is overal keurig op, werkt met preciesheid/ precisie/ precisiteit

nauwkeurig beschouwt dingen op de keper

secuur secuur broekje, Jantje-/ Pietje-secuur, weet dingen secuur

ordelijk regelvast, man van orde en regelmaat, gesteld op orde, leeft met de regelmaat van een klok, stelt orde op zaken

punctueel prompt in zaken, man van de klok, is op de minuut, pront/ prompt op tijd

nauwlettend let op de fijne puntjes

minutieus doet zijn werk pijnlijk nauwkeurig

naar boven

III-III-
ORDELOOS, GEMAKZUCHTIG, LICHTZINNIG

ordeloos onordelijk

onverantwoordelijk niet capabel (sic), plichtvergeten, kringetjesspuwer, nietsnut, leegloper, plichtverzaker, escapist (ontvlucht zijn verantwoordelijkheid), overschreeuwt zichzelf, zegt dingen die hij niet kan verantwoorden, maakt zich schuldig aan plichtsverzaking/ plichtsverzuim, verwaarloost/ verzaakt/ verzuimt zijn plichten, veronnut/ verkruimelt/ verleutert/ vermalt zijn tijd

gemakzuchtig luizig (gew.), vadsig, traag, lampoot, lanterfant(er) [Mnl. lant(land) + truwant, bedelaar], leegloper, leegaard (gew.), ledigganger, leuningbijter (Barg.), baliekluiver. leuzigaard (gew.), lijntrekker, loeffer (gew.), loop-in-'t-lijntje, nietsdoener, slabakker, slampamper, straatslijper, tijdwinner, uitsteller, stoelzuster (vrouw die zich liever niet vermoeit), baantjesgast (voert onder de schijn van bedrijvigheid niets uit), een reiziger in knoopsgaten (gew.), te beroerd om iets te doen, op zijn gemak gesteld, makkelijk uitgevallen, altijd aan het nietsnutten/ sjappietouwen [Mal. siapa tahu, wie weet het, weet ik het, een vaste uitdrukking van ruw volk]/ lanterfanten/ slabakken/ omlummelen/ omluieren/ kaaiewaaien/ lanteren/ looien (gew.)/ niksen/ lijntrekken/ slampampen/ suilen/ palullen (gew.), verbeuzelt/ verdoet/ verlult/ verlanterfant/ verlapswanst/ verluiert/ verlummelt/ vermaft/ verslentert/ verspeelt/ verknoeit/ verspilt zijn tijd, blijft op zijn kont/ krent zitten, drukt zich, drukt zijn facie/ porum/ snor, neemt er zijn gemak van, voert geen lazer/ lazerij uit, zit uit zijn neus te vreten, denkt met kousen en schoenen aan in de hemel te komen (denkt zonder zich in te spannen doel te bereiken), speelt met zijn tenen tot vermaak van zijn hielen, brengt zijn tijd in ledigheid door, ziet leeuwen en beren op de weg [Spreuken 22:13, De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden! (heeft altijd een excuus om niets te doen)], als nietsdoen een ambacht was koos hij het, zit met de handen in de schoot, alles moet hem op zijn schoot gebracht worden (wil er niets voor doen), stelt iets uit tot sint-juttemis, houdt zich bezig met slampamperij, laat alles sleuren, loopt langs de straat te slijpen, verlegt geen stro, verzet ergens geen voet voor, vermoeit zich niet al te zeer, volgt de weg van de minste weerstand, brengt zijn tijd werkeloos door, zoekt de zevende dag, is aan het lijntrekken, mag zijn zweet niet ruiken

lichtzinnig los, lunatiek, ondegelijk, onsolide, wuft, wups (gew.), zot meisje, bambocheur, pierewaaier, lichtmis, losbol, nachtloper, rinkelrooier, wallebak (gew.), zwierbol, glimpieper (maakt stiekem slippertjes), spring-in-'tveld, toepe (lichtzinnige vrouw), geen heilige, geen heilig boontje, los in de mond, los van tong, altijd aan het lichtmissen (veroud.)/ rakken/ rinkelrooien/ pierewaaien/ teren en smeren (gew.)/ tierelieren (gew.)/ wallebakken (gew.)/ fuiven/ boemelenlpoepgaaien (doelloos, gekheid makend zitten te kijken, gew.), draagt zijn hoed op één haartje, draagt zijn hoed op zeven haartjes, zwierig mens, beetje lichtzinnig mens, lacht overal om, wil wel de lusten maar niet de lasten, leeft maar raak, leeft er maar op los, neemt dingen losjes op, zegt wat hem voor de mond komt, gaat op rabot (gew.), gaat aan de zwier, rijdt een schuine schaats, teert van de hoge boom (maakt op zorgeloze wijze grote verteringen), maakt goede sier, denkt dat het leven een vakantie is, verdartelt zijn tijd, verdanst zijn zaligheid, verfuift/ verzwiert zijn geld, houdt zich bezig met wallebakkerij (gew.)/ boemelen

lui aartslui, vaddig (gew.), vadsig, luiaard, luibak, luibuis, luierik, luilak, luiwammes, dagdief, doeniet, vadderik, lente (vrl.), lui beest/ varken, luie heilige/ salamander, zo lustig/ luchtig als een vogeltje dat koe heet, zo lui als hij groot is, liever lui dan moe, heeft een lui leventje, zit altijd te lenterenlluibakken/ luieren/ luieriken/ luilakken/ luiwammesen, zit op zijn luie gat/ kont, doet geen sodeflikker/ sodemieter, voert geen klap/ slag/ snars/ steek uit, steekt geen hand/ poot uit, zit naar het lek te luisteren, het schuilt hem onder de oksel (kan de armen niet flink uitsteken), heeft varkensvlees onder de arm

werkschuw bruggebijter, bruggetrekker, werkonwillige, vindt een haar in het werk, schuwt werk, behoort tot het langharig, werkschuw tuig

immoreel obscuur, slecht, moraalloos, ondeugdzaam, een padaas (gew.), schuifelbout (gew.), deugniet, schavuit, slechtaard, slechterik, een fijne meneer (iron.), verstokt zondaar, geen lekkere jongen, geen lekkertje/ lieverdje, duivel in mensengedaante, in de ondeugd verstaald, verstokt in het boze, slecht van oppas (wil niet oppassen), diep gezonken/ gevallen, vol gebreken, geneigd tot alle kwaad, heeft een ruim/ rekbaar geweten, heeft een geweten zo groot als een hooischuur, heeft een slechte inborst, heeft geen moraal/ moraliteitsbesef/ normbesef, heeft onoorbare praktijken, zijn gedrag kan niet door de beugel [in Middeleeuwen werden stadshonden door een beugel (ring) gehaald om te zien of ze een bepaalde maat niet te boven gingen], sust zijn geweten in slaap, door zijn geweten kan wel een koets met vier paarden rondrijden, doet alles wat God verboden heeft, deugt in zijn huid niet, deugt van geen kanten, gedraagt zich op een onheilige manier, houdt zich bezig met obscure zaakjes, leidt een slecht/ tuchteloos/ wetteloos leven, vertoont verwerpelijk/ laakbaar gedrag, pleegt wandaden

exhibitionistisch exhibitionist

naar boven

III+IV+
ACCURAAT, EXACT, SYSTEMATISCH

accuraat puntig (veroud.), werkt met accuratesse

exact handelt met exactheid

systematisch methodisch, werkt planmatig/ stelselmatig, werkt volgens schema, organisator, ijzeren systematicus, heeft organisatietalent, kan goed organiseren, systematiseert zaken

consequent man uit één stuk

efficiënt handelt op doelmatige/ doeltreffende wijze

volhardend persistent, blokker, doorbijter, doorzetter, doordouwer, volhouder, heeft doorzettingsvermogen/ volhardingsvermogen, persevereert in wat hij doet, persisteert bij eenmaal genomen besluit, doet dingen gestaag, doet staagjes aan, houdt taai vol, handelt met volharding

doelbewust doelgericht, gaat recht op zijn doel af

consciëntieus consciëntieus religieus (sic), gewetensvol, altijd aan het bokselen, doet zijn uiterste best, zet zijn beste beentje voor, doet iets pas na overleg/ rijp beraad, overweegt dingen rijpelijk

vasthoudend vasthouder, niet stuk te krijgen, laat zich niet van zijn apropos brengen, weet zijn wil/ zin door te drijven, wijkt geen duimbreed/ duim gronds, laat zich iets niet uit het hoofd praten, geeft geen krimp, houdt zijn poot stijf, houdt de rug stijf, houdt het been stijf, houdt voet bij stuk, houdt strak aan iets vast, blijft op zijn stuk staan, houdt keep, neemt iets op zijn tanden, zet hardnekkig door, bijt zich ergens als een terriër in vast, handelt met volharding/ vasthoudendheid, weet niet van ophouden

beginselvast man van beginselen, houdt aan een beginsel/ overtuiging vast

ambitieus heeft hoge aspiraties, maakt ergens een sport van, doet iets met ambitie, wil vliegen eer hij vleugels heeft

waakzaam vigilant, wakker, handelt met vigilantie/ waakzaamheid

bekwaam virtuoos, capabel, kundig, voortreffelijk, een kei, mannetjesman, kaan (veroud.) van een vent, heeft heel wat in huis, heeft grote capaciteiten, kan zijn kantje keren (gew.), berekend voor zijn taak, ziet dingen klaar in, speelt veel klaar, kÓn iets, levert goed werk, doet dingen perfect, verstaat zijn stuk/ vak, weet van wanten [wellicht, goed met het want (touwwerk) om kunnen gaan]

rechtlijnig denkt rechtlijnig

rechtdoorzee vrijborstig, rondborstig, rondement (gew.), ronduit, vierkante kerel, Jantje Rechtuit, zegt de dingen effenaf/ rechtaf/ franchement/ ronduit/ kort en klaar, zegt iets zonder omwegen, spreekt in plat proza/ Vlaams, spreekt recht voor z'n raap, zegt iemand effenaf/ resoluut/ vierkant de waarheid, zegt onomwonden waar het op staat, zegt wat hij meent, spreekt op ondubbelzinnige wijze, spreekt flink van de borst, spreekt vrijuit, noemt de kat een kat, noemt het kind bij zijn (ware) naam, noemt man en paard, doet iets gulweg/ guluit, handelt zonder bijgedachten/ plichtplegingen, steekt zijn mening niet onder stoelen of banken, neemt geen blad voor de mond, windt ergens geen doekjes om, verheelt zijn misnoegen/ teleurstelling niet, strijdt met open vizier, schenkt klare wijn, smoort geen wolf in zijn buik

gedistingeerd bezit distinctie

zuinig brandzuinig, duitendief, potter, zuinige broek, op de duiten, bij de pinken (gew.), niet erg schotig/ scheutig, op de penning als de duivel op een ziel, van de behoudende leer, taai in het melken (schuift niet gemakkelijk iets af), lost niet gemakkelijk, gooit het geld/ hooi niet over de balk (bij het werpen van hooi in de ruif is het verkwistend om het ook over de bovenbalk te gooien), spaart het hooi, kijkt op een cent, let op de muntjes, past op de kleintjes, zit op zijn centen, pot zijn geld op, zuinigt geld uit, het geld moet bij hem van de rooster gehaald worden, laat het walletje bij het schuurtje, laat het huis bij de schuur, zit vast aan zijn geld, houdt de hand op de zak, betracht zuinigheid

naar boven

III-IV-
CHAOTISCH, INACCURAAT, ONBEDACHTZAAM

chaotisch chaoot, gaat ongeordend/ onstelselmatig/ stelselloos/ systeemloos/ onsystematisch te werk, direct het spoor bijster, leidt een hectisch leven, kan niet organiseren, doet dingen op de tast, doet alles lukraak, maakt overal een warrelboel/ warboel van

inaccuraat

onbedachtzaam handelt gedachteloos/ klakkeloos/ onberedeneerd/ ondoordacht/ onnadenkend/ onoverlegd/ planloos/ redeloos, handelt op onbekookte wijze, redeneert als een kip zonder kop, wat hij zegt is kretologie/ slap gelul, gedraagt zich kreterig, maakt ongereflecteerde opmerkingen, er zit in hem geen overleg, praat en doet maar raak, slaat ergens maar een slag naar, slaat in den blinde naar iets, doet een slag in de lucht, staat nergens bij stil, trekt voorbarige conclusies, doet dingen in het wilde weg

onnauwkeurig

warhoofdig wargeestig, gederangeerd, wargeest. warhoofd, warkop, in de war, niet goed bij zijn hoofd, zit te ijlen/ kallen (Barg., wartaal uitslaan)/ lollen (zotteklap uitslaan)/ kullen/ poespassen/ koeterwalen/ prazelen/ bazelen/ raas kallen/ revelen (gew.)/ razen, heeft praat op zolder (verwarde denkbeelden), heeft ze niet allemaal bij elkaar, wat hij zegt is ijdele/ zotte klap, wat hij zegt is klap voor de vaak, wat hij beweert is klets met klontjes, wat hij beweert heeft slot noch zin, wat hij zegt is kippetjespraat de haantjes lachen erom, er is geen logica in wat hij zegt, aan wat hij zegt is kop noch staart te vinden, wat hij beweert is kul/ flauwekul/ kulkoek, kletst/ praat/ lult uit zijn nek, kletst uit zijn nekharen/ nekspier, verkondigt klinkklare onzin, spreekt wartaal, verkoopt nonsens, vertelt prut met peren, vertelt nonsensicale verhalen, kraamt ongerijmdheden uit, praat vazel (gew.), haalt dingen door elkaar, slaat maar wat uit zijn botten, zijn hoofd loopt op stelten

slordig voddig, slodderig, labberlottig, slodderachtig, verslodderd, een flodder, flodderaar, flodderkous, hangoor, kladdeboter, labberlot [wellicht oorspr. de naam van een bende straatschenders uit Amsterdam die zich noemde naar de krijgsoverste La Berlotte, overl. in 1680], labberlut, lodder (vrl), moser, knoeier, roffelaar, slodde(r), sloddervos, rommelkont, slodderkous, roffeltuit (vrouw die haar werk slordig doet), ropvogel (kind dat slordig op zijn kleren is), Hans met de bellen, altijd aan het kladdeboteren (lettert. knoeien met boter)/ labberlotten, laat dingen verslodderen/ verslonzen/ verslungelen, ziet er aveluinig [van Mnl. ave-(af) + luim, dus uit de goede luim, gew.]/ onverzorgd/ palterig (gew.)/ haveloos uit, steekt raar in zijn tuig (slordig gekleed), laat alles achter zijn kont (rond)slingeren, loopt ergens met de roffel overheen (gaat ruw en slordig te werk), roffelt dingen af, doet alles rommelig, levert voddewerk, levert voddig werk, het is bij hem een zootje

warrig een daas, dwaas, warhoofd, een averechtse wijze, oordeelt averechts, is van koers, de koers kwijt, zijn kompas is verdraaid, in de bonen en plukt erwten (in de war), op scheuvels, in de snol (sic, gew.), zit altijd te dazen, bazelt maar wat, spreekt bollepraat (gew.)/ onzin, spreekt niet coherent, praat verward, klapt in en uit, weet niet wat hij vertelt, spreekt zichzelf tegen, wat hij zegt slaat als kut op dirk, wat hij beweert slaat als een lul op een drumstel, wat hij zegt is larie/ lariekoek/ lariefarie/ larieflang, jaagt hersenschimmen na, heeft hersenspinsels, staat verwezen te kijken, kijkt als een verwezene

wanordelijk bij hem is het een huishouden van Jan Steen (zoals te zien op een schilderij van Jan Steen zelf), een huishouden van Keja [oorsprong onbekend]

nalatig zuimachtig in het vervullen van zijn plichten, laat het lelijk afweten, doet niet wat hij moet doen, schiet tekort, laat de boel waaien, laat de boel de boel

onverstandig onwijs, verstandeloos, een onverstand

onoplettend een slaper, suffer, is er met zijn gedachten nooit bij, zijn gedachten zijn elders, let nooit op, zit altijd te slapen/ suffen

achteloos laattijdig (gew.), negligent (gew.), onachtzaam, fietst er langs (doet zijn werk onzorgvuldig), handelt langs de klep van de pet, negligeert (veronachtzaamt) mensen, behandelt alles vluchtig

maf trullig, lullig, halvezool, lobbedoe (gew.), lobbedei (gew.), mafkees, mafjanus, mafketel, mafkikker, mafkoker, mafkont, mafkuiken, vermaft type

gestoord verknipt, zinneloos, getroebleerd, krankhoofdig, krankzinnig, stapel, stapelgek, stapelzot, stekezot, uitzinnig, malende, een zinneloze, zwakzinnige, een gek in folio, grote gek, door wanen bezeten gek, zo gek als een ui, zo gek als een looien deur, is geraakt/ getroffen in zijn hoofd, in zijn hersens gepikt, van de ratten gebeten/ besnuffeld, het is niet richtig met hem, niet goed bij zijn verstand, niet wel bij zijn hoofd, van zijn zinnen beroofd, niet goed bij zinnen, heeft een kranke geest, heeft de razende mot in het hoofd [van krankzinnigheid werd vroeger wel gedacht dat die werd veroorzaakt door mot of worm in het hoofd veroud., gew.], heeft aanvallen van razemij, heeft waandenkbeelden/ waanideeën, het is hem in het hoofd geslagen, het is hem in de bol geslagen, zijn brein draait door als een paternosterlift, bij hem is de geest verdwaald, bij hem is het brein/ verstand verduisterd, lijdt aan verstandsverbijstering/ zinsverbijstering/ verdooldheid der zinnen, handelt in een verdwazing (van de geest), krijgt het zot in de kop (gew.)

verkwistend kooplustig, koopziek, resoluut (sic, gew.), geldverkwister, koopal, kwast (gew.), kwistekool, opmaker, banketteerder, is aan het banketteren, leeft verkwistend, heeft de geldpest, heeft een gat in zijn hand, lijdt aan koopzucht, lapt zijn goed door de billen (verkwist zijn goed door er goede sier mee te maken), gooit geld in het water, smijt/ morst/ moost (gew. van mosen) met geld, verknabbelt/ verknapbust/ verknoeit/ verkwist/ vermoost/ verprutselt/ verprutst/ verslempt/ verspilt/ zaait zijn geld, verspeelt geld en goed, lapt zijn geld op, geeft geld met scheppen uit, strooit geld met volle handen, smijtlslaat veel geld stuk, doet niets dan rijden en rossen, leeft royaal, bij hem valt het geld in een zinkput

onpraktisch

spilziek verspiller, potverteerder, lijdt aan spilzucht, verbambocheert/ verboert/ verlapt/ verbrast/ verdondert/ verdoet/ verduvelt geld en goed, de duiten bijten hem

onachtzaam let/ schaft (gew.) nergens op, slaat nergens acht op, vergauweloost (gew.)/ veronachtzaamt mensen, laat dingen langs zich heen gaan

behaagziek behaagzuchtig, stoeipoes, pagadet (volkst., opgedirkte en behaagzieke vrouw), rokkenjager, rokkengek, rokkenridder, probeert te behagen

onberekenbaar dubbelzinnig, onvoorspelbaar, van God los, houdt zich niet aan afspraken, er valt niet op hem te rekenen

slonzig kladderig, morsig, konkelachtig (veroud.), moddig, slobberig, beslabberaar, flarde (vrl.), slons, kladdeboter (vrl.), klamot (gew.), klamodde (gew.), konkel (gew.), lors, modde (gew.), mokke (vrl.), morskont, morsepot, morsebel, plaaster, plamodder (vrl., gew.), schobbe, schooier, slavets (gew.), slavodder (gew.), slobber, slobberdoes, slobberkous, sloor, snottebel, toddik, smeerpoets, teutebel, totebel (vrl.), todde, te vies om aan te pakken, pros van een vrouw, slonst met dingen, loopt er slonsachtig/ smodderig/ todderig bij, smoddert/ bemorst zijn kleren, loopt in oude todden

vergeetachtig een vergeetal

onhandig zou zich beslabberen al at hij noten

kwistig kwistekool (gew.), verkwister, schenkt met kwistige hand

genotzuchtig hedonistisch, hedonist

manisch manisch-depressief

lafhartig blode, blo, blohartig (veroud.), doet dingen lafweg, zoekt uitvluchten

dierlijk beestachtig, verdierlijkt, in dierlijkheid verzonken

laaghartig laag individu

pathetisch doet hoogdravend

naar boven

III+IV-
LEGE CEL

naar boven

III-IV+
ZORGELOOS, ONBEZORGD, CRIMINEEL

zorgeloos onproblematisch, lot (gew.), makkelijk, doet altijd luchtigjes, een hartje/ zieltje zonder zorg, houdt van pallieteren (genietend wandelen in de natuur, zie onder 'levenslustig'), laat Gods water over Gods akker/ reinsteen lopen, leeft van de hand in de tand, kent geen zorg, heeft geen zorgen voor (de dag van) morgen

onbezorgd leeft van de ene dag op de andere, leeft als God in Frankrijk/ als de mussen in het zand, maakt zich geen zorgen voor de tijd

crimineel deugniet, galgenaas, galgebrok, galgestrop, hangebast (veroud.), gieler (Barg.), schooier, dief, hellebrok, hellekind, hellewicht, hondevel, schavuit, verharde booswicht, geen beste, kind van de hel, monster dat de hel heeft uitgebraakt, heeft een criminele aanleg, heeft iets op zijn kerfstok [kerfstok, waarin kerven werden gemaakt die nog te betalen aankopen aangaven voor mensen die niet konden schrijven], haalt bandietenstreken uit, gaat de brede weg op [Matth. 7:13, Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt ...], wil niet deugen, de galg ziet hem de ogen uit, vertoont normafwijkend gedrag, groeit op voor galg en rad (waarop boeven werden geradbraakt), verhardt in het kwade, verkracht de wet, vertrapt iemands rechten, treedt de wet met voeten

onbekommerd voelt zich van alles ontkommerd (lit.t. bevrijd), laat fiolen/violen zorgen [herkomst is duister, fiool is flesje, zijn heil zoeken bij de fles? Later zou men zijn gaan denken aan het muziekinstrument en ging dan ook violen schrijven], trekt een gezicht van wie-doet-me-wat, rolt door de wereld

vernielzuchtig vernielachtig, altijd aan het donderjagen, treedt kannibaals op, lijdt aan vernielzucht

opportunistisch opportunist, kazakkeerder (gew.), kazakdraaier (gew.), windvaan, meeloper, bij hem kan het vriezen en kan het dooien (houdt zich op de vlakte), hangt het hekken naar de wind (raamwerk van latten aan molenwiek), hangt de huik naar de wind (buik, lange mantel die men zo moest hangen dat men tegen de wind beschut was), zo de wind waait, waait zijn mutsje/ rokje/ jasje, keert zijn kazakke (verandert van mening), keert de molen naar de wind, bakt uit twee pannen, spreekt met twee monden

naar boven

III+V+
OPLETTEND, LEERZUCHTIG, PRINCIPIEEL

oplettend heeft zijn ogen niet in zijn gat/ zak, laat zich geen knollen voor citroenen verkopen, blijft bij de les, past op zijn tellen (de keren dat men telt), verliest geen woord van een betoog, laat zich nergens door verstrooien/ afleiden, ziet in de wind (let op wat er gebeuren kan)

leerzuchtig bezit leerzucht, heeft behoefte om te leren

leergierig leerzaam, leerhoofd, leerpik, snuffelaar, kleine leergraag, wil altijd het naadje van de kous weten, wil ergens haring of kuit van hebben, snuffelt in de boeken

principieel streng, houdt er principes op na

sober matig, frugaal, leeft in frugaliteit/ sobriëteit/ soberheid

gewetensvol heeft scrupules/ verantwoordelijkheidsbesef/ verantwoordelijkheidszin/ verantwoordelijkheidsgevoel, heeft een sterk schuldbewustzijn/ een zuiver geweten, maakt ergens dingen van (gew., gewetensbezwaren), volgt de stem van het geweten, doet niet meer dan zijn mensenplicht, wil niet van schipperen weten, voelt zich voor veel dingen verantwoordelijk

handig snedig (veroud.), versierder, kante (gew.) meid, wakkere tas (veroud., gew., knappe, handige vrouw), heeft twee rechterhanden, heeft twee rechtse handen, doet een handige zet, weet dingen te versieren, weet overal knaphandig (veroud.) mee om te gaan, weet altijd ergens een vinger achter te krijgen

naar boven

III-V-
ONNOZEL, ONVERSCHILLIG, LEUGENACHTIG

onnozel bête, daas, halzerig, schaapachtig, nes, lijp, loborig, doetje, duts, gansje, godskind, jangat, jansul, jochem, jocrisse [Fr. personage in Franse komedie, met name D‚sespoir de Jocrisse van Dorvigny], een Jorden [heiligennaam Jordanus], een kieken, kiekenhoofd (vrl.), loboor, loeres, leunes (gew.), onnozelaar, onnozeling, schaapshoofd, schaapskop, schapekop, setepelul, oetlul, troel (gew.), teutebel, totebel (vrl., gew.), oostenrijker (onnozele hals), ropvogel (gew., iemand die in gezelschap voor de gek wordt gehouden of als zondebok dient), domme treze, onnozele konte (gew.)/bloed/hals/ziel, domme gans, Jantje zonder erg, lulletje rozewater/lampekatoen/ lampepit, nuchter kalf, niet goed bij, een beetje wieties (Barg.), kind in de boosheid, botje zonder gal, altijd de kwaaie pier [van Pieter, is de zondebok], heeft nergens benul van, heeft een tik/klap van de Kamper molen gehad, laat zich wijsmaken dat een kat ganzeëieren legt, haalt onnozelheden uit, haalt Kamper streken/stukjes uit, ziet eruit als Piet Snot, staat voor Piet Snot, vliegt overal met volle zeilen in

onverschillig indifferent, heeft nergens weet van (sic), heeft overal bout/ kaas/ lak/ mert (gew.)/ merd (gew.)/ pijn/ maling/ schijt/ lik en lak aan, vaagt overal zijn broek aan af, veegt overal zijn gat mee af, veegt ergens zijn hielen aan af, veegt ergens zijn kloten/ pollevieën (hak van schoen, gew.)/ zolen aan, veegt alles aan zijn achterlap/ hemdslip/ hielen, lapt alles aan zijn laars/ hakken, geeft nergens om, geeft nergens een drol/ koren/ laars/ mieter/ ruk/ spier/ zak om, het kan hem allemaal niet donderen/ verneuken/ verrekken/ verrotten/ bochelen/ bommen/ mieteren/ schelen/ rotten, het kan hem geen lor/ moer/ spat/ oortje/ pest/ reet/ ruk/ zier schelen, het kan hem allemaal de lorren niet schelen, het kan hem geen bal verkolonialen, het kan hem geen reet vermallemoeren, het kan hem geen ene moer verblotekonten/ verdommenl verhippen, iets zal hem aan zijn kont roesten, het zal hem allemaal aan zijn reet/ rug/ gat geroest zijn, het zal hem allemaal een (rot)zorg zijn, het zal hem een worst wezen, trekt zich nergens een barst van aan trekt zich nergens een harnas over aan, het is hem allemaal best/ egaallevenveel/ onverschillig/ om het even, rotzooit maar wat aan, bekreunt zich nergens om, alles glijdt langs zijn koude kleren af, het laat hem allemaal koud/ Siberisch, wordt nergens warm of koud van, kreunt zich nergens aan, neemt alles lauwhartig op, maalt nergens om, schokschoudert over dingen, schort (gew.) iets niet, laat zich nergens iets aan gelegen liggen, stoort zich nergens aan

leugenachtig (aarts)leugenaar, jokkebrok, jokker, leugenbeest, leugenbrok, leugenzak, liegbeest, mepper, bedrieger, mythomaan, gepatenteerde leugenaar, is van Leugegem, aan zijn eerste leugentje niet gebarsten en voor zijn tweede niet opgehangen, in zijn eerste leugen niet gestikt, liegt uit gewoonte, liegt als een almanak/ tandentrekker/ paard, liegt dat hij zwart/ scheel ziet, liegt dat hij barst, liegt dat hij het zelf gelooft, liegt alsof het gedrukt staat, liegt door een eiken plank, liegt tegen de klippen op, liegt torens hoog, kan braaf liegen, confabuleert, verzint dingen, vertelt fibbetjes (Barg.)/ klodden (gew.)/ klodderijen (gew.)/ leugens/ logens/ sprookj es/ onwaarheden/ paardeleugens/ vertelseltjes, vertelt om het andere woord een leugen, vertelt leugentjes om bestwil, doet de waarheid geweld aan, kleedt iemand (gew., bedriegt, beliegt iemand), smeedt/ verzint/ vertelt leugens, hangt van de leugens aan elkaar, zuigt dingen uit zijn teen/ tenen/ duim/ vinger, jokt iemand iets voor, wat hij zegt is in strijd met de waarheid, wat hij beweert strijdt tegen de waarheid

onbetrouwbaar ontrouw, broeier (Barg.), charlatan, draaioor (gew.), draaier, duimzuiger, luchtfietser, fantast, gluntuttel (gew.), dubbeltong, klapper, klikker, kwakzalver, kwartjesvinder, lek, lijperik (Barg.), loenserik, valsaard, nakkedikker (Barg.), nakkedakker (Barg.), smous, smuigerd, gluiperd, woordbreker, volksverlakker, niet te vertrouwen, is de rechte/ ware broeder niet, een valse broeder [2 Cor. 11:26, in de brief van Paulus aan de Corinthiërs beschrijft hij de gevaren op zijn reis, o.a. die `onder de valse broeders'.], voor geen cent te vertrouwen, met lenen volle neef met weeromgeven hoerenkind, meestal aan het duimzuigen/ fabelen/ fabuleren/ fantaseren/ lorejassen (gew.)/ lorren/ lorsen (veroud.)/ lorrendraaien/ smousen/ stechelen (vals spelen, spieken), heeft een Bourgondisch geloof, doortrapte leugenaar, heeft een grijns (veroud.)/ mombakkes voor het gezicht, heeft loense/ valse streken, heeft een smousenaard, besjoemel/ besjoechelt/ betopt/ besodemietert/ bezeikt/ belazert/ bezwendelt/ beduvelt/ begoochelt/ belatafelt/ misleidt/ lakt/ verlakt mensen, neemt mensen beet, bedondert de kluit, draagt water in de ene en vuur in de andere hand (is dubbel hartig), verbreekt zijn beloften, belooft gouden bergen, hangt mensen schone bellen in de oren, verkoopt mensen blaasjes, bindt mensen een blinddoek voor de ogen, spreekt dubbeltongig, haalt iemand de huid/ het vel over de oren, zet iemand af, klapt uit de school/ biecht, weet iets met de schoonste kleuren te malen (zo mooi mogelijk voor te stellen), weet ergens een kleurtje aan te geven, luidt de klok maar schaft niet (belooft iets maar doet het niet), draait iemand een knoop/ knol in de muts, draait iemand een loer, zijn zeggen leutert (loszitten, waggelen, veroud. gew.), wat hij doet is lorrendraaierij, wat hij doet wekt mistrouwen, speldt/ speet mensen dingen op de mouw, geeft een onjuiste voorstelling van zaken, hangt prullen op, trekt/ slikt zijn tong in, schendt/ breekt zijn woord, blijft bij zijn woord als een haas bij de trommel, verdoezelt/ verheelt de waarheid, pleegt volksbedrog/ volksverlakkerij/ volksmisleiding, maakt iemand iets wijs, pleegt woordbreuk

praalziek ostensief, fastueus (pralend en weelderig), rijk getooid, praalhans, praler, prentje, fat, dirkt/ doft/ flikt/ fruit/ pijpt/ smukt/ tooit/ tulkt/ tut zich op, ziet er opgewit/ opgedirkt/ statieus uit, courtiseert mensen (vleit mensen uit praalzucht), maakt ergens parade mee, loopt ergens mee te paraderen/ prachen, houdt van pomp/ pomperij (wereldse pracht en praal)/ prachtvertoon, smukt zich met sieraden/ tooisels, tooit zich met allerlei smuk, voert veel staatsie, pronkt met geleende/ andermans veren

pervers geperverteerd, gaat zich aan perversiteiten te buiten

amoreel heeft geen moraal/ zondebesef/ zondegevoel

naar boven

III+V-
PLICHTSGETROUW, GEDISCIPLINEERD, KEURIG

plichtsgetrouw plichtbewust, plichtvaardig, heeft plichtsgevoel, doet zijn plicht, komt zijn verplichtingen na, kwijt zich van zijn plichten, doet dingen met plichtbetoon, handelt uit plichtsbesef, handelt met plichtsbetrachting, men kan op hem rekenen

gedisciplineerd plichtmatig, neemt gedragsregels in acht, verricht de obligate/ voorgeschreven handelingen, spreekt de obligate woorden

keurig huidig, netjes, kruiderig, salonfiihig, piekfijne mevrouw, van onbesproken gedrag, uit de kast (keurig gekleed), gekleed als een profetenbees [zoals een door Tijl Uilenspiegel keurig verpakte paardevijg, die degene die deze at de gave der profetie gaf, gew.], op de puntjes (gew.), in de puntjes verzorgd, leidt een eerzaam leven, ziet er gesoigneerd/ puntigjes/ welverzorgd/ tiptop verzorgd uit, ziet er uit om door een ringetje te halen, vies (sic, gew.) op zijn kleren (uiterst zindelijk)

ordelievend houdt van vaste regels, zet dingen op een rijtje

degelijk solide, levert gedegen werk, doet dingen grondig

vroom hemelsgezind, kwezelachtig, begijn, kwezel, kwezelaar, piëtist, zo fijn als gemalen poppestront, zo vroom als Job, vast in het geloof, met vurig geloof bezield, heeft een geloof dat bergen kan verzetten, heeft het ware geloof, bezit een gelovig hart, heeft liefde tot God, zit te kwezelen, men zou hem ons Heer geven zonder biechten, staat in een reuk van heiligheid, zijn reuk is zo fijn dat hij de zonde wel kan ruiken, leidt een stichtelijk/ vroom leven, bidt God van zijn troon, handelt vromelijk (zie ook `hypocriet')

zedig modest

kuis pudiek, een lelie, engelreine vrouw, kuise Jozef [Gen. 39:7-52, Jozef gaat in het huis van Potifar niet in op de avances van diens vrouw], kuise Suzanna [Daniël 13, Suzanna werd in het park van haar man Joakim door de twee oudsten van het volk oneerbaar benaderd tijdens het baden], Vestaalse maagd [priesteres van Vesta, maagd die het vuur in de tempel brandende moest houden], heeft een maagdenhart

spaarzaam houdt het huisje bij het schuurtje

vormelijk ceremonieus, maakt ceremoniën/ plichtplegingen, neemt de vormen in acht, hecht aan vormen

formalistisch een formalist, mandarijn, doet alles volgens het boekje, zit vast in het keurs der etiquette

formeel

overijverig

godvrezend dient God

godvruchtig heeft een diep in zich verankerd geloof

godsdienstig

religieus

naar boven

III-V+
ONGEDISCIPLINEERD, JONGENSACHTIG, EXTRAVAGANT

ongedisciplineerd vertoont ondisciplinair gedrag

jongensachtig net een jongen

extravagant uitbijter, groteske figuur, gedraagt zich bizar, buitensporig

excentriek laplander (gew.)

merkwaardig curieus, particulier mens

goddeloos een goddeloze, vreest God noch zijn heiligen, weet van God noch zijn gebod

geil lubriek, krollig (gew.), rits, ritsig, wreed (sic), geilaard, geilbaard, geilneef, neukbeer, jachtgat, jachtkont (geile vrouw), geile bok, hete klits (krolse meid), hete vijs, loopse/ lekkere teef, zo geil als boter, zo geil als een bos uien, zo heet als peper, gedraagt zich obsceen, heeft een neukdwang

naar boven

IV Emotionele Stabiliteit

naar boven

IV+I+
ZELFVERZEKERD, ZEKER, BESLUITVAARDIG

zelfverzekerd eigengerechtig, eigenrechtig, eigenmachtig, zelfzeker, pertinent, beslist, zeker van zichzelf, handelt met zelfvertrouwen/ bravoure, heeft gevoel van eigenwaarde, heeft zelfrespect, heeft een ontspannen houding, gelooft in zichzelf, kent geen twijfel, weet wat hij wil, voelt zich overal op stade, wiedt zijn eigen straatje, slaat zich door moeilijkheden heen, doet alles welbewust

zeker zeker van zijn stuk, ergens rotsvast van overtuigd, stellig in zijn uitlatingen

besluitvaardig neemt zijn besluiten altijd snel

dapper lefjongen, durfal, een kerel als Kas (vaak ironisch tegen een kleine jongen gezegd), ridder zonder vrees of blaam, klein Davidje, klein maar dapper, voor geen kleintje vervaard, voor geen klein geruchtje vervaard, heeft lef, durft iets bestaan, houdt zich dapper/ groot, trekt de stoute schoenen aan, haalt stoute stukjes uit, trotst gevaren met stoutheid, vertrekt geen spier in moeilijke omstandigheden, gaat voor niemand uit de weg

manmoedig durft tegen anderen ingaan, laat zich niet belazeren/ kokeren (misleiden), laat zich de kaas niet van het brood eten, laat zich niet op de kop zitten, laat zich niet in de luren leggen, laat zich niet in zijn zak schijten, pikt niet alles

manhaftig een virago (vrl.), manhaft kereltje, toont zich een man

onversaagd versaagt niet, durft over de draad stappen (durft risico's nemen)

sportief sportieveling, goede verliezer, vat dingen sportief op, neemt zijn verlies

naar boven

IV-I-
ONZEKER, DEPRESSIEF, ONEVENWICHTIG

onzeker onwis, halfhartig, halfbakken vent, weet niet wat hij wil, vaak ergens huiverachtig/ huiverig voor, niet zadelvast, heeft geen vaste beginselen, staat niet vast op zijn stuk, heeft faalangst, heeft geen gevoel van eigenwaarde, heeft een zwak zelfbeeld/ zelfconcept, gedraagt zich slak (niet doortastend), er zit geen doorslag (gew.) in hem, weet niet van aanpakken, voelt zich machteloos, staat vaak met de mond vol tanden

depressief in een wanhoopsstemming

neerslachtig bedrukt, down, ingezonken, terneergeslagen, mismoedig, putterig, radeloos, verloren, terneergedrukt, terneergeslagen, erg onder de boompjes (gew.), in mineur, in een mineurstemming, heeft een gevoel van malaise/ onvrede/ verlorenheid, heeft een malaiserig gevoel, zit altijd te priesteren (gew.)/ piekeren, zit bij de pakken neer [Gen. 49:14, waar Jacob van zijn zoon zegt dat hij een `sterk gebeende ezel, nederliggende tussen twee pakken' is], zit in de put [herkomst onduidelijk]/ schuurzak (eig. met zand gevulde zak die buiten boord hangt tegen het schuren), zit in zak en as [bv. Esther 4:1, Als Mordechai wist al wat er geschied was, zo verscheurde Mordechai zijn klederen, en hij trok een zak aan met as], kijkt sippig, zet een sip gezicht, zijn hoop is verdwenen, ziet het niet meer zitten, ziet er geen gat meer in

onevenwichtig gedesequilibreerd, uit zijn evenwicht, uit het lood (schiet-/ paslood), uit het veld (slagveld) geslagen

tobberig tobber, harder (iem. die moet harden, lijden, gew.), heuker (gew.), zit altijd te dubben/ heuken (gew.)/ kwetteren (gew.)/ tobben)/ rumsneren/ piekeren, zit voortdurend te wikken en te wegen, zit ergens over te malen, wroet in eigen ingewand

zwaarmoedig mistroostig, hypochondrisch, hypochonder, zichzelf tot last, heeft een geprest/ beklemd gemoed, het zit hem in de onderbuik, lijdt aan zwaarmoedigheid/ taedium vitae (weerzin tegen het leven)/ spleen [Gr. splŔn (milt) als zetel van zwaarmoedigheid]/ Weltschmerz, lijdt onder zelfbeschuldigingen/ zelfhaat

gedeprimeerd gedrukt, hopeloos, wanhopig

pessimistisch zwaarhoofdig, pessimist, zwaarhoofd, doemdenker, zwartkijker, ziet alles zwart/ somber in, beziet dingen door een zwarte bril, vergalt zijn leven door zwartkijkerij

weifelachtig twijfelzuchtig, weifelaar, kriemelaar (gew.), twijfelaar, altijd aan het kriemelen (gew.)/ talmen/ weifelen, verkeert in twijfel/ twijfeling, twijfelt overal aan, lijdt aan twijfelzucht, handelt na veel weifelingen, draait als een kat om de hete brij

zenuwachtig zemelachtig (scherts.), zenuwziek, jachterig, jachtig in de weer, totaal verzenuwd, zenuwbonk, zenuwknobbel, zenuwlijder, zenuwpees, zenuwknoop, zenuwpil, zenuwstandje, één bonk/ pak zenuwen, heeft overspannen/ slappe/ zwakke zenuwen, heeft het op de zenen (gew.), de zenuwen gieren hem door de keel, zit in de zenuwen, krijgt de zenuwen van iets, heeft last van zenuwen/ zenuwachtigheid/ zenuwzwakte, wordt opgevreten door de zenuwen, gooit zich in de zenuwen, krijgt een zenuwtoeval

zwaartillend een drummer (gew.), piekeraar, martelaar (sic, gew.), zebedeus, wroegwezen, weerloze tobber, pijnigt zich met gewetenskwesties, zwaar op de hand, heeft mierennesten in het hoofd, zit steeds te prakkezeren/ muizeneren (gew.)/ piekeren/ urmen [afgeleid van arm, eig. Och arme roepen], klauwt zijn hoofd over dingen, haalt zich muizenissen [Mnl.musen, peinzen] in het hoofd, ziet ergens als tegen een berg op, ziet altijd bezwaren, tilt ergens zwaar aan, vat dingen zwaar op, er ligt hem veel zwaar op het hart, heeft wroeging van dingen

angstig panisch, angsthaas, haasvreter, bloodaard, haas, bangerik, zo bang als een haas/ wezel, zo bang dat je wel een ei in zijn naad kunt gaarkoken, te bunzig (gew., Barg.) om iets te ondernemen, stijf van angst, door angst verlamd, begint haas te vreten (soldatent.), staat duizend angsten uit, kruipt achter de batterij, knijpt 'm als een ouwe dief, zijn hart is geen boontje groot, zijn hart is zo klein als een hazelnoot, durft kikken noch mikken (niets van zich te laten merken), het klamme zweet breekt hem uit, voelt een klamme angst, ziet leeuwen en beren op de weg [Amos 5:t9, Als wanneer iemand vlood voor het aangezicht eens leeuws, en hem ontmoette een beer], ziet ingebeelde gevaren, gaat moeilijkheden uit de weg, zit in zijn naad, zweet peentjes, zweet van de rats [ratjetoe, Fr. ratatouille, vgl. in de puree zitten], piept van angst, poept in zijn broek, men kan wel een ei in zijn poeperd gaar krijgen, krijgt last van zijn poeper, zit in de poepers/ rats, het loopt hem dun door de ribben, het is hem bang te moede

besluiteloos leuterig, kan niet tot een besluit komen, schuift dingen voor zich uit, schuift iets op de lange baan, schuift dingen van de ene op de andere dag, stelt dingen uit, draait om de hete brij, komt moeilijk over de drempel, maakt niet gemakkelijk een keus, komt nergens toe, aarzelt lang, weet niet of hij pis of kak heeft (weet niet wat hij wil), gaat ergens schoorvoetend toe over, krabbelt op het laatste moment terug, kan iets moeilijk van zich verkrijgen, kan moeilijk besluiten

moedeloos ontmoedigd, flauwhartig, flauwmoedig, suiloor (gew.), . heeft inzinkingen, heeft geen moed/ courage, laat de armen/ handen slap hangen, laat het hoofd, laat zijn kam hangen, laat de schouders/ veren/ vlerken/ vleugels hangen, laat de moed zakken, legt het hoofd in de schoot, zinkt snel in, geeft de moed op, geeft alle hoop op, het hart zinkt hem in de schoenen, wordt snel ergens door geopprimeerd (ontmoedigd), zit bij de pakken neer, ligt met de treite af [Mnl. leren lus aan elke kant van het geheel], heeft de moed opgegeven/ verloren

droefgeestig bedroefd, triest, triestig, verdrietig, naargeestig, troosteloos, droef gestemd, treurwilg, ziet er beloken (gew.) uit, zit vaak te treuren/ greien (gew., bedroefd en wezenloos te kijken), zit terneer in treurnis, heeft vaak een gevoel van treurigheid/ droefgeestigheid/ triestigheid/ triestheid/ troosteloosheid, verknaagt/ verkniest zich, kwijnt weg

gespannen verkrampt

lusteloos wanlustig, druilorig, druilerig, uitgedoofd, vaddig (gew.), zemelappig (gew.), onlustig, een druil, druiloor, zo week als boter (gew.), zit altijd te druilen/ druiloren, heeft een gevoel van onlust, heeft nergens puf/ lust/ zin in

nerveus hypernerveus, heeft een mier in de broek (gew.), zit uit nervositeit met zijn vingers te wriemelen

weifelmoedig twijfelmoedig, twijfelziek, wordt door twijfels verscheurd, komt altijd met maren aan

melancholiek melancholisch, [Gr. melagcholia, melas, (2e naamval van melanos, zwart) + cholŠ (gal)], zwartgallig, melancholicus

weemoedig zijn hart is van weemoed/ mijmerzucht vervuld, zucht van weemoed en verlangen, verlangt terug naar het verleden

dromerig sokkerig, soezerig, dagdromer, dromer, mijmeraar, ouwe soes, verzonken in mijmerijen, zit altijd te dromen/ mijmeren/ soezen, leeft in zijn verbeeldingswereld, verdroomt/ vermijmert zijn tijd, vlucht voor de werkelijkheid

afwezig met zijn gedachten elders

ontevreden malcontent, misnoegd, onvergenoegd (veroud.), een mijter, zit altijd te mijteren (gew.), vindt nergens bevrediging in, er is met hem te eggen noch te ploegen (men kan 't hem niet naar de zin maken), zet een gezicht als een oorworm, lijdt aan het Piggelmee-syndroom [naar stripverhaal Van het Tovervisje, waarin de vrouw van Piggelmee steeds méér wil, totdat beiden daarvoor gestraft worden]

tweeslachtig dubbelhartig, janusfiguur, januskop [Romeinse godheid o.a. van de tijd: afgebeeld met twee aangezichten], geen vlees en geen vis, onbestaanbaar met zichzelf, in strijd met zichzelf, voelt zich dubbel, heeft tegenstrijdige emoties/ neigingen, hinkt altijd op twee gedachten

schichtig schiftig (gew.), schrikachtig

neurotisch gekweld, getourmenteerd, neuroot, neuroticus, neuropaat, lijdt aan een neurose, lijdt onder schuldgevoelens, lijdt onder een innerlijke verscheurdheid, heeft last van spookbeelden/ spooksels, heeft last van het spook der verbeelding, verdringt onaangename gebeurtenissen, vlucht in het verleden, vlucht in de ziekte, vertoont vluchtgedrag

fatalistisch fatalist

levensmoe levenszat, suïcidaal, zijn leven gram/ beu/ moe, wenst zich dood, loopt rond met zelfmoordgedachten

lamlendig jansalieachtig, miserabel, een mossel (gew.), lammeling, jansalie [naam is ontleend aan de flauwe, zoetige smaak van saliemelk], zit altijd maar wat te utteren/ beuzelen/ lullen (gew.)/ triesten, zit de boel te verpesten, voert niets uit

duf staf (gew.), suf, suffig, sufferig, ingeslapen, ingesuft, ingesukkeld, sufferd, suffie, sufkees, sufkloot, sutkont, sufkop, sufkous, suffend brein, van een duffe burgerlijkheid, zit aldoor te suffen, verdut zijn tijd

kniezerig kniesorig, kniezig, kniesoor, kniezer, zit altijd te kniezen

zwaarwichtig zit altijd zwaar te redeneren

treuzelig talmachtig, teutachtig, teutig, treuzelachtig, leuterig, een treuzel, peuzel, talmer, talm, peuzelaar, pinnenmaker (gew.), slof, talmkous, teut, teutoor, zeurkous, tijdwinner, keutelaar, treuzelaar, treuzelkous, treuzelpot, uitsteller, zit altijd te talmen/peuzelen (gew.)/ tezen (gew.)/treuzelen/tokken (gew.)/tokkeren/ trammelanten (gew.)/talmen/trentelen (gew.)/ treutelen (gew.)/trijzelen (gew.)/tragen (veroud.)/memmen/teuten/teutelen (gew.)/teuteren/ wauwelen (sic, gew.)

onbeholpen baars (veroud.), links, houterig, habberdegrieks, stoetelig, stoethaspelig, een stoetel (gew.), lummel, stoethaspel [stoetel en haspelen (stuntelen)], krabbelaar, altijd aan het stoetelen

onsportief slechte verliezer, kan niet tegen zijn verlies

naar boven

IV+I-
DOODKALM, NUCHTER, BEHEERST

doodkalm

nuchter onsentimenteel, boerenslim, nuchterling, een Sancho Panza (schildknaap van Don Quichot, onbewogen materialist), nuchter kalf heeft een boerenverstand, heeft gezond ver stand, blijft met beide benen op de grond, maakt zich nergens illusies over, ziet de feiten onder

beheerst uiterlijk kalm, waardig, heeft zichzelf onder controle, heeft zichzelf in de hand, bezit een innerlijke/ persoonlijke tucht, bezit tuchtbesef/ zelfbeheersing/ zelfbedwang/ zelfcontrole/ zelfcorrectie/ zelfdiscipline, beheerst zich, beheerst de toestand, houdt zichzelf in bedwang, beteugelt zijn woede/ ongeduld, doet zichzelf geweld aan, beheerst/ bedwingt/ beteugelt zijn hartstochten, teugelt/ toomt zijn driften in, temt zijn begeerte, houdt zijn hartstochten in toom, vermeestert zijn driften, triomfeert over zijn hartstochten, bijt op zijn tanden, vermant zich

sto´cijns gelaten, onverstoorbaar, stoïcijn, handelt met stoïcisme, bezit een stoïsche wijsheid, leidt een leven van onthechting, reageert op een onderkoelde manier

rationeel verstandelijk, verstandsmens, weter, gebruikt zijn verstand, rationalistisch, rationalist, rationaliseert zijn gedrag/ gevoelens/ oordelen

ascetisch asceet

naar boven

IV-I+
ONTVLAMBAAR, ONBEHEERST, ROMANTISCH

ontvlambaar raakt gemakkelijk in vuur

onbeheerst zichzelf niet meester, heeft geen stuur over zichzelf, heeft geen zelfbeheersing/ zelftucht, laat zich gaan, kan zijn driften niet intomen, kan iets niet laten, kan zichzelf niet regeren, kan verleiding niet weerstaan, praat zijn zijn mond voorbij, de stoppen slaan bij hem door, drijft stuurloos rond, viert zijn hartstochten/ driften, viert de teugels

romantisch romanesk, dweepachtig, romanticus, zwijmelgeest, heeft rêverieën, zit vaak te zwijmelen, romantiseert de wereld, leeft in een fantasiewereld/ toverwereld

aanhalerig wordt graag aangehaald

aanhalig knuffelaar, knuffeldier, knuffelt graag, wordt graag geknuffeld

koket behaagziek, nuffig, fatterig, nesterig, nestig, een nuf, een fat, modegek, modeheer, modepop, modezot, prentje, swell (veroud.), kwast, hillebil (gew., vrl., draaigat), kwikje (veroud., gew., koket jong meisje), coquette, een onmogelijk nest

kooplustig gaat graag winkelen, koopt graag dingen, bezit kooplust

koopziek kan het niet laten dingen te kopen

amoureus gauw verliefd, heeft amourettes/ avontuurtjes

wulps lascief (dartel), libertijns, licentieus [Lat.licentiosus (o.a. onbeteugeld), vgl. licentie, Lat. licentia, licens (vrij, los)] orgiastisch, vei [verm. verwant met vaag (vettig)], beweegt zich vol weligheid/ wulpsheid, bezit een welig/ weelderig hart

naar boven

IV+II+
STABIEL, KALM, GELIJKMOEDIG

stabiel bestendig, blijft zichzelf gelijk, kan tegen een stootje

kalm placide, rustig, bezit een kalmte des gemoeds, maakt zich nooit druk, doet alles doodgemoedereerd/ doodkalm, laat alles kalm over zich heen gaan, houdt zich leuk (gew.), houdt zich of hij nergens van weet, zegt dingen leukjes/ leukweg/ kalmweg

gelijkmoedig harmonieus, gelijk van humeur, bezit gemoedsrust/ levensaanvaarding/ zielevrede/ zielerust, handelt in alle gerustheid

gelijkmatig heeft een gelijkmatig humeur

gentlemanlike gentleman

naar boven

IV-II-
WISSELVALLIG, LICHTGERAAKT, ONRUSTIG

wisselvallig ongestadig, slomp (gew.), ongelijk van humeur, met hem is het hollen of stilstaan, zijn stemming slaat snel om, verzint telkens wat anders

lichtgeraakt netelig, stotig, bokkig, susceptibel, punteneurig [vgl. ponteneur Fr. point d'honneur, gew.], erg op zijn eer gesteld, direct in alle staten, gauw aangebrand/ gepikeerd/ geraakt, licht verstoorbaar, een kruidje-roer-mijniet, heeft lange tenen, voelt zich snel gekwetst, voelt zich in zijn kruis getast, voelt zich in zijn kuif gepikt, is direct op zijn pik/ tenen/ teentjes getrapt, is snel in zijn wiek geschoten (als een vogel in vleugel geschoten), maakt direct een sc■ne, bij hem is het hemmetje raak mijn gatje niet, er kan geen luis over zijn lever lopen, kan weinig velen/ hebben, neemt direct een strijdhouding aan, reageert verbolgen/ verongelijkt

onrustig hyperactief, een onrust, roervink

prikkelbaar kittelachtig, kittelig, kittelorig, kreen (gew.), kregel(ig), kriegel(ig), kriebelig, krieuwelig, kwaadbloedig, kwaadsappig, irritabel, snel geïrriteerd, geprikkeld, kregelkop, krijgt snel ergens de kriebels van, zet direct zijn stekels op, stoort/ stoot zich overal aan

chagrijnig versacherijnd, beisponem [Jidd. Hd. beis, bitse], iezegrim, chagrijn, zuurkijker, het chagrijn ligt op zijn gezicht

klagerig klaagzuchtig, kriepachtig, klager, kliemer, krieper, krucherd, kwee(n) (vrl., gew.), pieper, querulant, tjieper (gew., armzalig en klagend mens), zit voortdurend te jeremiëren/ lamenteren/ kriemen (gew.)/ kriepen (gew.)/ kruchen (gew.)/ peeuwen/ pieuwen/ tjiepen (gew.)/ weeklagen/ steunen/ stenen/ zuchten/ kliemen en te klagen, roept ach en wee, bejammert zijn lot, heft jeremiades aan [klaagliederen van de profeet Jeremia], zingt klaagliederen, beklaagt zich overal over, klaagt anderen zijn leed, klaagt steen en been, klaagt putten in de aarde, klaagt stenen uit de grond [vermoedelijk klagen bij heiligen van steen, bij grafsteen waaronder gebeente van heilige ligt], lijdt aan klaagzucht, zwelgt in zelfbeklag

sacherijnig sacherijn (zie `chagrijnig')

moeilijk heeft een hoekig karakter, maakt overal een probleem van, vertoont probleemgedrag, vertoont problematisch gedrag

humeurig buiig, miezerig (gew.), slechtgehumeurd, slechtgeluimd, slechtgemutst, landerig, ongenietbaar, kreen (gew.), lastig van humeur, azijndrinker, azijnpisser, kribbebijter, niet te genieten, uit zijn humeur/ luim, in een pestbui, niet in zijn pruik, slecht te spreken, in zijn vieze (gew.), heeft de blikken muts, heeft zijn kwade/ verkeerde muts op, heeft de bokkepruik op, heeft de kanker in, heeft het land als een stier, heeft stierlijk het land, heeft het land, heeft het land/ mier in, heeft de pee/ pest/ ziekte in, heeft een kwade/ slechte luim, heeft kwaaie zin, het hoofd staat hem verkeerd/ dwars/ niet goed, zijn pruik staat scheef, de muts staat hem verkeerd/ verdraaid/ niet wel, baalt als een stier/ stekker

mopperig grommelachtig (gew.), grommelig, gemelijk, morose, grijnzaard, grol (gew.), grolpot (gew.), brompot, grommelaar (gew.), grompot, grommer, kneute (gew.), kneuter (gew.), mopperaar, mopperkont, mopperpot, pruttelaar, zit altijd te grimmen (veroud.)/ grollen (veroud.).grommen/ grommelen/ kneuten (gew.)/ zaniken/ mopperen/ morren/ narren, (gew.)/ pruttelen/ kankeren

jankerig jankerd, jammeraar, jengelkont, zit altijd te jammeren/ janken

gejaagd gehaast, haastig, heisterig (gew.), gichtig (gew.), vliegerig, opgejaagd, haastigaard, trotter (gew.), jachtenduivel (gew.), steeds aan het schormen (gew., druk in de weer)/ trotteren (gew.)/ trotten (gew., draven)/ schoffelen (gew.)/ jachten en vliegen, heeft iets gejaagds, heeft jacht, bezit een koortsachtige drift, werkt koortsachtig, loopt altijd op een trot/ trotje/ holletje, doet alles in allerijl, doet dingen vlugvlug/ haastje repje/ halje travalje, doet iets hals over kop, handelt in vliegende vaart, doet iets in volle vlucht

jachtig krijgt overal kippekoorts van

geagiteerd heeft een kippedrift

nukkig pertig (gew.), heeft krullen in het hoofd, heeft kuren, heeft vreemde nukken

zeurderig kniezerig, kwalieachtig (gew.), neutelig, temerig, teutachtig, teutig, zanikachtig, zeikerig, zemelachtig, zemelig, zemelknoperig, zeurderig, zeurig, een zeur, zeurder, zeurpiet, zeurkanis, zeurkont, zeurkous, zeurneus, zeurpot, zeurzak, eitekop (Barg.), ouwehoer, kanenbrader, kanebraaier, klepzeiker, kutkammer, kwalie (gew.), lamijne (vrl., gew.), lollepot (gew.), neuker, neute (vrl.), rozijnenkauwer, sabbelaar (gew.), seibelaar, semmel (vrl.), semmelaar (gew.), semmelkous, semmeltrien, sijbelaar, teem, temer, teemkous, teut, teutoor, trunte (gew.), zaag, zager, zagevent, zageman, zanik, zaniker, zanikkous, zanikpiet, zanikpot, zeikerd, zeiklijster, zeikmier, zeikneus, zeikpeer, zeiksnor, zeikstraal, zeiktrien, zeikgriet, zeikkerel, zeikvent, zeikwijf, zemel, zemelaar, zemelap, zemelkloot, zemelknoop, zemelknoper, mem (zeurderige man), oud wijf, heeft altijd wat, altijd aan het klepzeiken/ lamijnen/ 1ameinen/ lazeren/ zeuren/ neuken/ eikelen/ jeuzelen (gew.)/ kalegezichten (gew.)/ kanenbraden/ temen/ knarpen (gew.)/ kutkammen/ zaniken/ lazerstralen/ neulen (gew., binnensmonds zeuren)/ neutelen/ treuzelen/ sabbelen (gew.)/ seibelen/ semmelen (gew.)/ sijbelen/ teuten/ teutelen (gew.)/ teuteren/ tuitelen (gew.)/ vezen (gew.)/ zagen/ zeiken/ zemelen/ zemelkloten/ zemelknopen/ ziegezagen, zit altijd ergens over te kwijlen, zit anderen aan het oor te lellen, ligt te emmeren/ griepen/ hassebassen/ malen/ mauwen/ melken/ mieteren/ mieterjagen/ pissen/ prullen (gew.)/ reutelen, herkauwt dingen tot vervelens toe, leurt/ maalt iemand aan de oren, zaagt mensen de oren af, mult overal over

wrokkig heeft wrokgevoelens, zit altijd te wrokken, loopt te koppen, loopt met een kop, koestert een stille wrok, kan dingen moeilijk verkroppen

rusteloos wantenwever, wiebelkont, altijd aan het wantenweven (heen en weer wiebelen)/ wiemelen, heeft geen rust, kent rust noch duur

dramatisch doet tragisch, maakt overal een drama van, maakt ergens veel ophef van

pruilerig monkachtig (gew.), moeskop (gew.), pronker (gew.), pruiler, pronkstuk (gew.), pruilsnuit, zit altijd te moeskoppen (gew.)/ pronken (sic, gew.)/ protten (gew.)/ pruilen/ pruimen (gew.)/ monken (gew.)/ muilen (gew.), laat zijn lip hangen, staat met de lip op het derde knoopsgat, trekt een lip/ pruil, zet een krop

kattig kattekop, kattin, krabbekat, kuttekop, valse kat, zo vals als een kat, heeft klauwen en nagels

dreinerig drenzerig, een drein, drens, drenspens, drenzer, zit altijd te brielen (gew.)/ dremmen (gew.)/ drenzen

jaloers ijverzuchtig, naijverig, nijdigaard (gew.), kijkt een ander de beten uit de mond, handelt uit jaloersheid, jaloezie

melodramatisch maakt overal een drama van

kleinzerig piept gauw

narrig petroliepisser

ijdeltuitig ijdeltuit, zit altijd te ijdeltuiten, houdt van opschik

afschuwelijk wekt afschuw

psychotisch waanziek, waanzinnig, psychisch gestoord, psychoot, lijdt aan waanvoorstellingen

ijdel fatterig, publiciteitsgeil, dandy, fat, swell (veroud.), klerengek, bezit vaniteit, eigendunk, ijdelheid, wat hij doet is ijdel vertoon, wat hij zegt is rook, wat hij beweert is ijdele waan, doet mee aan elke rage, heeft veel stront op zijn lijf, heeft veel stront aan zijn gat, maakt veel stront (gew.)

misantropisch misantroop, mensen vijandig gezind, heeft een aversie tegen mensen, kan anderen niet luchten of zien, kan iemand niet luchten of lijden

naar boven

IV+II-
KEIHARD, DESPOTISCH, ONGEVOELIG

keihard hard-boiled, koud, hard als marmer/ steen, heeft eelt op de ziel, heeft een hart van graniet/ marmer/ steen, heeft een steenhard/ verstaald gemoed, heeft een steenkoud/ verstokt hart

bikkelhard zo hard als een bikkel [botje uit hiel van schapepoot, gebruikt om mee te spelen, bikkelen]

despotisch despoot, slavendrijver, heeft de schrik eronder, knijpt mensen uit als een citroen, zit mensen achter de veren, jaagt mensen op, maakt iemand vleugellam

ongevoelig hardhuidig, dikhuidig, bot, impassibel (onbewogen), heeft een dikke/ harde huid, heeft nergens weet van, blijft overal ijzig onder

zelfvoldaan apetrots, is het heertje, heeft een meerwaardigheidsgevoel, bezit een sterk zelfbeeld/ zelfconcept, heeft een goed zelfgevoel

genadeloos zonder genade

aalglad een glibber, zo glad als een aal (in een emmer met snot), te vangen als een aal bij de staart

uitgekookt luip, uitgenast (Barg.), uitgeslapen, canailleus, dubbelgebeid, door de wol geverfd, een canaille, weet voor elke spijker een gat, weet voor elk gat een spijker (heeft overal een antwoord op of overal een uitvlucht voor), slaat overal een slaatje uit

vrekkig vrekachtig, pezewever (gew.), schrok (gew.), schrokker (gew.), vrek, vrekaard (gew.), zit altijd te schrokken (gew.)

leep leperd, gladakker, gladjakker, gladjanus, haalt lepigheidjes/ luizestreken uit

dikhuidig heeft een olifantshuid

gewelddadig geweldneuroot, rowdy, geweldmaniak, gebruikt direct geweld

naar boven

IV-II+
TEDER, TEERGEVOELIG, AANHANKELIJK

teder heeft tedere gevoelens voor mensen, heeft een tedere zorg voor anderen, behandelt anderen met tederheid/ tederte

teergevoelig ziels ontroerd, zielsdiep bewogen, tenger van gemoed, snel vertederd, heeft een tenger hart

gevoelig gevoelvol, gevoelsmens, laat zich leiden door zijn hart, gaat naar zijn hart te werk, het gemoed schiet hem vol, zijn gemoed stroomt vol

aanhankelijk schoothondje, hecht zich aan mensen

teerhartig suikeren mannetje, teer poppetje

weekhartig weekmoedig, week van hart, heeft een boterhart

aandoenlijk touchant (roerend), hartroerend

naar boven

IV+III+
EVENWICHTIG, VASTBERADEN, STANDVASTIG

evenwichtig bezit equanimiteit (gemoedsrust), voelt zich overal op zijn gemak

vastberaden handelt met resolutie (veroud.), behoudt het veld, laat zich niet uit het veld slaan, gaat door dik en dun, gaat door gras en koren

standvastig standvast, heeft ruggengraat, vertoont een consistent/ constant gedrag, doet geen concessies, zijn woord is zijn evangelie, blijft bij wat hij heeft gezegd, maakt zich hard, blijft volhouden, laat zich niet lijmen, blijft bij zijn mening, gaat onveranderlijk zijn gang, staat pal/ scherp/ vast, staat als een rots in de branding, staat stevig in zijn schoenen, blijft bij de tekst, houdt voet bij stuk [vroeger stek, wellicht in de betekenis van paal, grens], stopt het tij, zeilt het tij dood, blijft trouw aan zijn beginselen, zingt het liedje uit, houdt vol, versaagt niet, laat zich niet verleiden/ verlokken, biedt weerstand aan verleiding/ verlokking, wijkt geen voet/ voetbreed, weet van geen wijken/ toegeven, zwicht nergens voor

vastbesloten blijft bij zijn besluiten

resoluut trefzeker, een man van zaken, slaat spijkers met koppen, hakt knopen door, vat de koe/ de stier bij de hoorns, doet alles op stel en sprong [waarschijnlijk: de tijd die men nodig heeft om zich te stellen en te springen]/ op stip en sprong (gew.)/ op stoot/ terstond/ stante pede (op staande voet)/ zonder toeven/ zonder vertoef (veroud.)/ verwijl/ verzuim, laat geen tijd verloren gaan

zakelijk to the point, klinisch en koel, handelt naar vereis van zaken/ omstandigheden, gebruikt geen onnodige woorden, doet dingen zonder veel praatjes

realistisch reel, realist, heeft realiteitsbesef/ realiteitszin/ werkelijkheidszin, heeft een reële kijk op het leven, staat met beide benen op de grond, weet wat er in de wereld te koop is, beschikt over savoir-faire, verstaat zijn wereld, ziet de feiten onder ogen, ziet de nuchtere realiteit

wilskrachtig bezit wilskracht/ een ijzeren/ sterke wil, toont karakter

doodnuchter broodnuchter

verstandig vroed (veroud.), wijs, zinnig, kloekzinnig, rijp van geest, is niet de minste der broeders, niet dom, heeft een rijp oordeel/ een gezond verstand/ wijsheid, handelt doordacht/ redematig/ prudent/ met vroedheid (veroud.)/ vol inzicht, wat hij in zijn kop heeft, heeft hij niet in zijn gat/ kont/ staart, luistert naar rede, gaat met verstand te werk, houdt zijn zinnen bij elkaar

onwankelbaar onwrikbaar, vast van geest, heeft een stevige overtuiging

gedecideerd beslist in zijn optreden, zeker van zijn zaak, zit vast in de beugels, spreekt kort en bondig/ kort en krachtig, handelt parmantelijk/ stellig, zet de tanden op elkaar, vermant zich

verstandelijk cerebraal

onkreukbaar laat zich niet omkopen

naar boven

IV-III-
ONSTABIEL, LABIEL, IRRATIONEEL

instabiel

onstabiel onevenwichtig, onvast

labiel scharrig, direct het stuur kwijt, snel van slag, heeft weinig spankracht, verliest de pedalen, raakt gauw van zijn stuk, is snel overstuur, lijdt aan stemmingswisselingen

onstandvastig verleidbaar, windvaan, gemakkelijk te verleiden, gemakkelijk om te praten, met een natte vinger te lijmen, verandert gemakkelijk van kleren/ zienswijze, springt van de os op de ezel, houdt geen voet bij stuk, bijt aan de vishaak, laat zich verschalken, geeft zich gewonnen, gaat overstag, gaat door de pomp, verandert van mening, bezwijkt voor verleiding/ verlokking, draait met alle winden, zoals de wind waait waait zijn jasje/ rokje/ muts, hangt de huik naar de wind, zoekt achterdeurtjes/ uitvluchten, haakt af, doet niet meer mee

irrationeel

verward ontheisterd, ontredderd, in warring, het hoofd kwijt, uit de lijken geslagen [lijken, touwen ter versterking in zeil genaaid], is in de maling, in de war, van zijn melk (gew.)/ apropos, de kluts kwijt, het loopt hem erdoor, zijn hoofd loopt op stelten

wispelturig versstiel, wisselziek, kameleontisch, onbestendig, vlinderachtig, aprilkind, kameleon, kazakkeerder [kazak is gew. een jas of boezeroen], kazakdraaier (gew.), windvaan, kwispel (gew.), proteus [Gr. zeegod Proteus had o.a. het vermogen allerlei gedaanten aan te nemen], vlinder (wispelturig in de liefde), weerhaan, vliegende Mercurius [Rom. god Mercurius is o.a. bode der goden], is vandaag te zot morgen te bot, springt van de hak op de tak [hak wellicht een soort haakvormige tak], springt van 't houtje op 't stokje (gew.), springt van de os op de ezel (Z.-Ndl.), 't is hei of fij (foei) met hem, vervalt in uitersten, keert zijn kazakke (verandert van mening), draait als een molen, maakt een ommezwaai, verandert als het weer, lijdt aan wisselzucht, wil het nu eens zus dan weer zo

wilszwak zwak van wil, de geest is bij hem gewillig maar het vlees is zwak [Matth. 26:41, Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt, de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak]

wankelmoedig in een wankele stemming, in wankelbaar evenwicht

grillig capricieus, loetachtig, luimig, pertig (gew.), maanziek, grilziek, heeft malle parten/ grillen en grollen, heeft caprices/ fratsen/ kippekuren/ loeten/ luimen/ paretten [gew., waarsch. zelfde als parten]/ kuren/ tuimen (gew.)/ tukken (gew.)

inconsequent spreekt zichzelf tegen

onvolwassen doet als een kind/ puber

onnadenkend handelt zonder er bij na te denken

halfslachtig is mossel noch vis, is vis noch vlees, doet alles op een halfje

zweverig heeft wind in het hoofd, vleit zich met hersenschimmen, leeft in een sprookjeswereld, praat zwevend

klunzig krukkig, koekeakker, stumper, knoeier, koekhakker, prutser, klojo, klojan, klojang [wellicht verbast. van klootzak], klooi [idem], klooier, kluns, klunshark, kruk, krukkebeen, krukker, is altijd aan het klooien/ kloten/ klunzen/ stuntelen/ stoethaspelen

onzakelijk

schijterig drijter (gew.), schijtbak, schijtlaars, schijtekster, schijtgat, schijthuis, schijtkont, schijtlijster, schijtlul, schijtvink, schijtluis, schijtebroek, bange schijterd, als een scheet zo bang, bang voor een scheet in een netje, kruipt in het kabelgat, schijt in zijn broek, schijt zeven kleuren bagger, schijt peulen/ peuken, zit in zijn schijterd/ stinkerd

stuntelig klungelig, klunzerig, klunzig, knullig, stoffelachtig, stumperachtig, stuntelig, sukkelachtig, sukkelig, een haspel, haspelaar, heutemeteut (gew.), hoetelaar, Jan Gat, kakkedoris [heeft wellicht te maken met kak, kakadoris is kwakzalver], kakkelobbes [verm. van cachelot (potvis) + lobbes], klungel, kluns, knungel (gew.), krabber (gew.), potshoofd (gew.), potskop (gew.), stoffel [Christoffel, de reus die Christus over het water droeg, werd het prototype van onhandig mens], sukkel, stumper, stuntel, sukkelaar, totelaar (gew.), trut (vrl.), trullemerie, vijfoog (gew.), Lord Wanhoop, arme Tobias (gew.), stoffel stootgaren (vrl., gew.), klipgeit (onhandige, lelijke vrouw), doet altijd nogal stoffeitjes, zit voortdurend te hoddelen/ knoeien/ hoetelen/ klungelen/ klunzen/ stumperen/ stuntelen/ toffelen/ toefelen (Barg., gew.), verpoedelt/ verknoeit/ verspeelt/ verprost/ verprutselt/ verprutst zijn werk, kan nog geen spijker inslaan, kan nog geen hamer vasthouden, laat alles uit zijn handen vallen, zijn handen staan verkeerd, doet alles averechts verkeerd

schizofreen schizoïde, heeft een gespleten persoonlijkheid, lijdt aan schizofrenie/ schizothymie, lijdt aan een gespletenheid van gemoed

ongedurig springerig, woelziek, een krieuwel, kwikkebil (vrl.), woelwater, een beursje met vlooien, heeft geen zit/ rust in zijn gat, heeft de krevel (gew.)/ kriebel in zijn gat, heeft rust noch duur, zit voortdurend te krenselen (gew.)/ krevelen (veroud., gew.)/ wipperen, kan zich niet concentreren, zit met zijn gat op een hekel [gew., hekel, plankje met rechtopstaande spijkers om vlas te hekelen], springt van de hak op de tak, springt van de os op de ezel (zie ook 'wispelturig'), lijdt aan woelzucht

ambivalent vat vol tegenstrijdigheden, wil de kool en de geit sparen, blaast koud en heet uit ÚÚn mond, spreekt met twee monden, draagt vuur en water in ÚÚn hand (hangt tegengestelde beginselen aan), eet van twee wallen

masochistisch masochist

naar boven

IV+III-
LACONIEK

laconiek reageert met laconisme (verbazingwekkende kalmte) [Gr. Lakonikos, van Lakon, Spartaan]

bruut gewelddadig

naar boven

IV-III+
ZORGELIJK, OVERBEZORGD


zorgelijk piekeraar, zit vaak te piekeren, maakt zich (kop)zorgen, kwelt/ pijnt zich ergens over

overbezorgd al te bezorgd

vrouwelijk vrouwachtig, heeft vrouwenmanieren

bezorgd ongerust, een zorg, heeft een vlo in het oor, ontrust zich snel

naar boven

IV+IV+
ONVERSTOORBAAR, KOELBLOEDIG

onverstoorbaar imperturbabel, ijskonijn, niet uit zijn evenwicht te brengen, heeft een brede rug, heeft stalen zenuwen, bezit flegma, laat zich niet opfokken/ opjagen/ opjuinen/ opjutten/ opnaaien/ opneuken/ pramen (gew.)/ aanzetten/ aansporen/ overbluffen/ overdonderen/ overduve len/ provoceren, blijft zichzelf, gaat onverdroten/ doodgemoedereerd zijn gang, kan zich goed concentreren, maakt zich nergens druk over, raakt niet uit de plooi, kijkt nergens raar van op, vertrekt geen spier, verwikt of verweegt niet

koelbloedig koelzinnig (veroud.), in staat af te zien, doet dingen in koelen bloede, doet iets met sang froid, blijft overal koud onder, veel dingen raken hem niet

vaderlijk

naar boven

IV-IV-
PANIEKERIG, BANG, HUILERIG

paniekerig opgefokt, ontredderd, alarmist, alarmblazer, amokmaker, paniekzaaier, paniekverwekker, direct over zijn toeren, raakt snel de kluts kwijt [de slag kwijt van het klutsen, kloppen, bv. eieren], raakt van de wijs, is snel in paniek, paniekt/ panikert (Belg.) snel, fokt zich vaak ergens over op, laat zich opnaaien/ opneuken, zit verlegen (weet geen raad), doet verwilderd

bang bangbroek, hazehart, bangschijterd, zeikhein, pagud (Barg.), bange haas, bang voor zijn hachje, geen held, held op sokken, heeft hazebloed, heeft een hazehart, kakt in zijn broek, moet op de kakstoel, knijpt 'em als een ouwe dief

huilerig (zie ook `jankerig') grienig, grienerig, schreierig, snotterig, larmoyant, griener, grienebalk, huilebalk, huilmuil, schreier, zit vaak te grienen/ grijnen/ planjeren (Barg.)/ reren/ schreien/ schremen (gew.)/ schriemen (gew.)/ schretten (gew.)/ schruwelen (gew.)/ sieveren/ sieweren/ simmen/ simpen/ jengelen/ sjenken (gew.)/ janken/ snotteren, huilt lijk een Magdalena [naar de boetvaardige zondares Maria Magdalena uit het N.T., gew.], barst direct in tranen uit, huilt tranen met tuiten

schrikkerig schrikt overal van

kwetsbaar trefbaar, verwondbaar, deerniswekkend, zwak riet

emotioneel gemoedsmens, voeler, snel geëmotioneerd/ ontroerd, heeft gevoelsuitbarstingen, heeft een overstromend gemoed, stort zijn hart uit, schroeft/ windt zich snel op, kookt direct over, handelt naar zijn gevoel

hypergevoelig

overgevoelig ziekelijk gevoelig, snel geroerd/ geschokt, direct van de kook/ plank (gew.)/ kaart, snel van zijn stel (gew.), tot schreiens toe bewogen, tot tranen geroerd, in zijn tramontane [tramontana is poolster, snel de koers kwijt], direct van streek [streek, 32ste deel van windroos, kompasroos], heeft een klein hartje, heeft overprikkelde zenuwen, trekt zich alles aan, voelt snel zich gegriefd, kan niet veel hebben, kan niet tegen plagen, de tranen schieten hem direct in de ogen

nostalgisch zwelgt in nostalgie

hysterisch hystericus, vervalt in hysterie

naar boven

IV+V+
DOORTASTEND, ONAFHANKELIJK, ONBEVREESD

doortastend geresolveerd, ijzervreter (sic), treedt drastisch/ handelend op, heeft handen aan het lijf, heeft punch (Belg.)/ pit, weet van aanpakken, gaat er flink tegenaan, bijt door de zure appel heen, neemt krasse maatregelen, doet dingen meteen/ ogenblikkelijk/ subiet, handelt zonder pozen/ uitstel/ verdrag/ omhaal, houdt van opschieten, houdt niet van uitstellen, stroopt zijn mouwen op, gaat flink aan de slag, slaat spijkers met koppen, slaat de hand aan de ploeg, slaat de hand aan het werk, laat geen steen op de andere, zet alles op alles

onafhankelijk independent, mondig, autonoom, een echte vrijwilliger (scherts.), gedraagt zich volwassen, heeft overal een eigen kijk op, handelt naar goeddunken/ welgevallen, handelt naar eigen verkiezing, handelt uit eigen hoofd, handelt uit vrije verkiezing, handelt op eigen gezag/ initiatief, doet zijn goesting (gew.), doet iets op eigen verantwoording, doet zijn eigen wil, laat zich nergens toe prêteren, laat zich door niemand ringeloren, laat zich niets voorschrijven/ zeggen, laat zich niet bevelen, weet van bukken noch buigen, gebruikt zijn eigen ogen, loopt uit het gelid, volgt zijn eigen hoofd, leidt een eigen leven, naait zijn naadje, gaat zijn gang, gaat zijn eigen weg, roeit met zijn eigen riemen, steunt op eigen kracht, kan voor zichzelf zorgen

onbevreesd weerbaar, tranquil (sic, gew.), weerder, voor niemand beducht, heeft een sterke weerbaarheid, laat zich niet in een hoek duwen, laat zich niet meppen (Barg.)/ beetnemen, laat niet met zich leuren/ spotten, laat niet over zich heen lopen, laat zich niet met een kluitje in het riet sturen, durft zijn nek uit te steken, staat voor niets, kan zich weren, loopt niet weg voor moeilijkheden

zelfstandig zelfredzaam, plantrekker (gew., iemand die zich kan redden), heeft zelf nog handen aan het lijf, bezit zelfredzaamheid/ zelfstandigheid, veegt zijn eigen baantje, dopt zijn eigen boontjes, ziet uit eigen ogen, drijft op eigen wieken, doet alles op eigen gezag, houdt dingen in eigen huis, doet alles zelf, kan rijden en omzien (kan zich redden), kan op zichzelf passen, kan het alleen rooien, kan op eigen benen staan, kan het buiten anderen stellen, trekt zijn eigen plan, loopt in geen zeven sloten tegelijk, helpt zich door de wereld

zelfbewust assertief, heeft een sterk ego, heeft zelfrespect, handelt met een zeker aplomb, laat zich niet imponeren, laat zich niet uit het veld slaan, laat zich niet versukkelen (als een sukkel behandelen), laat niet met zich spelen, laat zijn rechten gelden

krachtig robuust, sterk, krachtfiguur, hercules [Hercules, Gr. halfgod en nationale held], sterke schouder, kanjer van een vent, man van karakter, zo hard als staal, zo sterk als een leeuw, van ijzer en staal, niet kapot te krijgen, heeft spirit/ herculeskracht/ zielskracht, heeft een sterk karakter, heeft brede schouders, kan een stootje velen

onverschrokken vermetel, voor de duivel en zijn ouwe moer niet bang, laat zich niet kisten/ verstrikken, laat zich nergens door afschrikken/ weerhouden, laat zich het spek niet van het bord halen, laat zich de boter niet van zijn brood nemen, geen baar komt hem te hoog, geen zee gaat hem te hoog, bindt de kat de bel aan, staat zijn mannetje, staat voor niets, staat voor geen muur (gaat niet opzij voor geweld), schrikt nergens voor terug, slaat zich overal doorheen, slacht ('slachten' is hier 'gelijken op') de kat die altijd op haar benen terecht komt, verweert zich dapper, weet zich met handen en voeten

mannelijk masculien, viriel, een man, denkt masculinistisch

moedig heldhaftig, kloekhartig, rustig (sic), flink, wakker, kloekmoedig, durver, held, leeuw, vechter, man met haar op de borst, van het hout waarvan men helden maakt, voor geen kleintje vervaard, heeft nog een hart in zijn boezeroen, heeft een groot hart (heeft heldenmoed), heeft courage/ durf/ vechtlust, heeft een leeuwenaard/ leeuwenhart/ vechtersnatuur, houdt de kop ervoor (houdt moed), vecht als een leeuw, verdedigt zich met leeuwenmoed, gaat nergens voor opzij

diplomatiek diplomaat, politicus, spreekt in afgewogen termen, weet te geven en te nemen, weet te schipperen, legt dingen politiek aan

briljant doet alles met brille

ongebonden laat zich niet binden

naar boven

IV-V-
SCHRIKACHTIG, BANGELIJK, VREESACHTIG

schrikachtig schrikkerig, schrikt gauw

bangelijk lafachtig, wezelachtig, antiheld. durfniet, flapdrol, kakker, bloodaard, nijpnaars, bangerik, protter (gew.), pul (gew.), bang uitgevallen, mies (Barg.) kereltje, held op sokken, bang zich aan koud water te branden, te bleek op de graat (niet doortastend genoeg), heeft koudwatervrees, schrikt voor de consequenties van zijn handelen terug, deinst terug voor moeilijkheden, draait om de pot (gew.), durft de kern van de zaak niet aan, ziet spoken op klaarlichte dag, vertoont vermijdingsgedrag

vreesachtig licht vervaard, bang voor zijn huid/ hachje, heeft drempelvrees, loopt weg voor een blaas met bonen, zit in angst en vrees, vreest altijd het ergste

bevreesd ziet altijd beren op de weg (zie ook `angstig')

lichtgelovig goedgelovig, te goed van vertrouwen, laat zich begoochelen/ beetnemen, laat zich van alles inpraten, laat zich in de patatten zetten, laat zich vaantjes aanhangen, laat zich van alles op de mouw spelden, slikt alles voor zoete koek, aanvaardt dingen kritiekloos, men kan hem wijsmaken dat paardestront vijgen zijn, tippelt/ trapt/ tuint overal in

afhankelijk leunt altijd op anderen

onzelfstandig onredzaam, heeft gebrek aan initiatief, blijft bij moeders brijpot hokken, ziet door iemand anders ogen, oordeelt onzelfstandig, weet zich niet te redden, kan het alleen niet rooien

sentimenteel smachterig, Wertheriaans [Goethes romanfiguur Werther, Die Leiden des jungen Werthers, 1774], is vol gevoelerigheid/ sentimentaliteit, sentimentaliseert alles

kinderachtig pueriel, een ijle (gew., flauwerd), een griele (gew., zot, kinderachtig meisje)

moederlijk een memme (Jidd., moeder)

na´ef huppelkutje, trezebees (gew.), doetje, naïeveling, ing‚nue (naïef meisje), duifje zonder gal [volgens een oud volksgeloof waren er dieren zonder gal, gal zou boosheid opwekken], zo onschuldig als een pasgeboren kind, van de pot getrokken, nergens op verdacht, heeft illusies, heeft nooit iets in de smiezen/ gaten, ziet de wereld voor een doedelzak aan, laat zich in de kaart kijken, laat zich zand in de ogen strooien, laat zich lompen/ foppen/ overbluffen/ overdonderen/ overduvelen, doet dingen in alle schuldeloosheid, stinkt overal in, trapt in elke valkuil

puberaal kalverachtig, een echte puber

meisjesachtig net een meisje

kinderlijk groot kind, heeft een groot kinderhart

week soft, zwak, boterletter, eitje, watje, wekeling, softie, zwakkeling, zwakkerd, als was te kneden, als was in iemands handen, heeft een wekelijk gemoed, heeft een zwak ego

kleinzielig gedraagt zich kleintjes, mietje, heeft knijperige opvattingen

dom hersenloos, oliedom, olieslim, leertraag, geestesarm, uilachtig, uilig, minderbegaafd, stom, zwakbegaafd, zwakzinnig, zwakhoofdig, domoor, dombo, domkop, dommerik, dommekracht, eend, eendekont, ezel, ezelement, ezelskop, ezelsveulen, gammer [Jidd. Hebr., hamßr, ezel], gammerkop, ganzegat (vrl.), heiboer, hazekop, kever, kluitekop, loeten (gew.), toeter (gew.), uilskuiken, wietkoker (Barg.), wieterik, wietmuil, wietstok (Barg.), koeier (gew.), waterhoofd, weetniet, zultkop, zwakhoofd, oliebol, oliekoek, os, kuiken, gaai, uil, uilskuiken, uilekiek, uilekop, uilskop, stomkop, stommeling, stommerd, stommerik, labberlut (gew., domme vrouw), mutten (domme jongen), stomme koe, domme trui/ Joris, halve gare, goeie in de soep (gew.), zo stom als een otter, zo dom als het paard van Christus en dat was nog een ezel (gew.), zo dom als een uil/ ezel/ os, zo dom als 't kalfke Mozes, zo dom als het achtereind van een koe/ varken, te dom om voor de duvel te dansen, te dom om een kieken te pluimen, te dom om te helpen donderen, traag/ kort van begrip, loom van geest, slecht van leren, van geest verstoken, niet erg slim/ pienter, niet al te snugger, niet een van de snuggersten, geen overvlieger/ hoogvlieger, geen groot licht, geen leerhoofd, heeft hersens als een garnaal, heeft een garnalenverstand, heeft van de dertig penningen niet gehad [Matth. 26:15, waarin Judas Iskariot Jezus aan de Romeinen verraadt voor dertig zilveren penningen], heeft een harde schedel, heeft molentjes op het hoofd, heeft een plank voor het hoofd, heeft zaagsel in zijn hoofd, heeft zult in zijn kop, heeft geen spier verstand, heeft weinig verdieping, heeft nog minder hersens dan een kip, heeft een traag verstand, heeft een logge geest, heeft lege hersenen, heeft het buskruit/ kruit/ poer niet uitgevonden, heeft het zwarte naaigaren niet uitgevonden, slaat in de ruiten (gew., handelt dom), redeneert slecht, maakt eendachtige stommiteiten, weet van pomp noch pompstok, er zal geen professor van groeien, behoort niet tot de vlugsten, er gaat hem veel boven zijn petje, ziet er niet zo dom uit als hij is, timmert/ vliegt niet hoog, weegt niet veel, er is geen sprankje geest in hem, zal geen ketterij in het land brengen, praat naar dat hij verstand heeft

nederig smekerig, heeft slaafs berouw (berouw uit vrees voor straf), kijkt/ ziet tegen mensen op, weet zijn plaats, doet een voetval, prosterneert/ verootmoedigt/ verkleint/ vernedert/ verontschuldigt zich voortdurend tegenover anderen, wil bij mensen in het gevlij komen, uit smeekklachten

vleierig zoetsprakig, vleier, aaipoes, fleemkous, fleemtong, flemer, flodderaar (gew.), pannelikker, pluimstrijker, zit mensen te cajoleren/ vleien/ flemen/ fietsen (gew.)/ lemmen (veroud.)/ pluimstrijken/ gnokken/ gnukken (gew., zeurend vleien), besuikert/ coiffeert/ beaait/ verheerlijkt mensen, spreekt honingzoete taal, spreekt zoete woordjes, kwispelstaart tegen iemand, pannelikt bij anderen, steekt mensen een veer in het achterwerk, steekt iemand een veer op de hoed, steekt anderen een pluim in hun gat, strijkt iemand zeem aan de baard, zeemt mensen de mond, bakt zoete broodjes

truttig trutterig, een naat, trut, truttebel, truttekop, truttebol, trut van Troje/ Hamburg, trut met vingers

bijgelovig superstitieus

tuttig tutterig, een tut, tuthola, tuttebel, tuttebol, tuttekop, zit altijd te tutteren/ tutten

plakkerig kliemerig, klef, klefferig, kleffig, kleverig, klitterig, klever, klit, kleefpleister, hangt aan als een klis, blijft aan iemand klitten

overvoorzichtig al te voorzichtig

uitsloverig uitslover, bruinwerker, kontlikker, dienstdoener, slooft zich altijd uit, wat hij doet is uitsloverij

kleinhartig armhartig

serviel kruipt voor anderen

dociel gedwee (zie aldaar)

achterlijk zwakbegaafd, half balans, niet goed snik, achterlijke bat (Barg.), sufferd, heeft niet meer verstand dan een puit (kikker), heeft geen verstand genoeg om een puit te berechten (gew.)

kneuterig knutterig, houdt van een knusse sfeer

naar boven

IV+V-
EMOTIELOOS, GEVOELLOOS

emotieloos

gevoelloos koud, een kouwe, reeuwer, reptiel, stuk hout, kouwe kikker, is van hout, heeft geen gevoel, heeft een harde schedel

naar boven

IV-V+
VERANDERLIJK, SENSITIEF, BEWOGEN


veranderlijk veranderlijk als de wind, lijdt aan veranderzucht

sensitief fijnbesnaard, ontvankelijk, impressionabel, vatbaar voor nieuwe impressies/ indrukken

bewogen gemouvementeerd (snel aangedaan), heeft een bewogen gemoed

sensibel gevoelig, aandoenlijk

lyrisch wordt helemaal lyrisch van iets

sensueel sensualist (zinnelijk mens), heeft een sterke sensualiteit

naar boven

V Intellectuele Autonomie


naar boven


V+I+
BOEIEND, GEESTKRACHTIG, ORIGINEEL

boeiend een boeier, heeft een rijk zieleleven, weet mensen te boeien

geestkrachtig bezit geestkracht, bezit mentale kracht

origineel onalledaags, kleurrijk, buitengewoon, atraditioneel, oorspronkelijk, buitenbeentje, alternatieveling

strijdbaar geharnast, onlijdzaam, gebruikt geharnaste taal

fantasievol heeft fantasie/ verbeeldingskracht/ voorstellingskracht, heeft een levendige verbeelding, heeft een goed voorstellingsvermogen

progressief vooruitstrevend

schrander keiig, snood (sic), snugger, tuik (gew.), een bolleboos, kei, vluggerd, helle vonk, heldere kop, niet misdeeld van geest, bij de pinken, vlug van begrip, heeft wat in zijn pet, heeft een vaardig brein, vlugge kop, vlug verstand, bezit vaardigheid van begrip/ geest

speels plagerig, stoeis, stoeiziek, gekkerd, gekscheerder, kullebroer (fopper), ravotter, robbedoes, rosbeier [het ros Beiaard, gew.], stoeier, springer, (jong en weinig serieus mens), altijd aan het gekscheren, altijd aan het railleren met iets, altijd aan het plukharen met iemand, aan het raggen/ ravotten/ repen (gew.)/ repelen/ stoeien/ reppelen (gew.)/ robbedoezen, ligt te rollebollen/ keten, zit keet te trappen/ schoppen, haalt apekuren/ apestreken/ zotheden/ plaisanterieën/ zotternijen uit, steekt de gek, maakt gekheid, gekt met anderen, trult (fopt)/ plaagt/ kult mensen, houdt mensen voor de gek, bakt iemand een poets, houdt van goecheltjes/ grapjes/ plagerijen, houdt van een stoeipartij, vat mensen bij de neus, neemt mensen in de veiling, steekt vol zotternij/ zotheid/ zottigheid

avontuurlijk reislustig, leeft vagantisch, fortuinzoeker, gelukzoeker, plannensmeder, plannenmaker, vrijbuiter [eig. kaper, van vrij+ buit], wager, wereldbestormer, sensatiezoeker, is als een vagant [Lat. vagari, rondzwerven, een rondtrekkende, avontuurlijk levende geestelijke of student], vaak aan het vrijbuiteren, heeft een zucht naar avontuur, heeft grote plannen, zoekt het avontuur, met hem valt wat te beleven, houdt van experimenteren/ variatie, slaat nieuwe wegen in, gaat op ongebaande paden, ontdekt de wereld, gaat op ontdekking uit, trekt de wijde wereld in, leidt een vagantenleven, speelt op bluf, gaat tot de rand met dingen

snedig spiritueel, doet snarige/ snedige uitspraken, antwoordt ter snede

stoutmoedig stout, stijf in de kaken, spreekt boud, heeft een stoute verbeelding

bezield handelt met elan, bezieling

slim gis, kien, slimmerd, slimmerik, gaarpieter (gew.), fijnaard (gew.), haas (gew.), platneus (gew.), platzak (gew.), primme (gew.) kerel, slimme vos, kisse jongen, fijne teen (gew.), geklofte jongen, niet zo dom als hij er uitziet, niet links, anderen te gauw af, heeft vossemelk gedronken, heeft raapsoep gegeten, niet gemakkelijk te bedriegen, spint fijn garen, melkt niet in een mandje, steekt in een vossehuid

expressief doet alles met veel expressie

ludiek heeft speelse invallen

erotisch zinnelijk, heeft een erotische uitstraling

vermetel treedt gedurfd op, handelt temerair, handelt met temeriteit/ vermetelheid

werelds mondain type, man van de wereld, kan zich in elk gezelschap vertonen

naar boven

V-I-
BEHOUDEND, SLAAFS, BEKROMPEN

behoudend behoudsgezind, behoudzuchtig, man van het behoud, behoudsman, vasthouder, conservatief, gehecht aan gebruiken, heeft standvastige gewoontes, behoort tot de behoudende partij, gaat gebaande paden

slaafs horig, knechtelijk, knechts, serviel, pantoffelheld, iemands slippedrager/ voetveeg/ voetwis, werktuig in iemands hand, heeft een slavenaard/ slavenziel/ slavenmoraal, heeft een slaafse gehoorzaamheid, laat zich breidelen/ onderjukken, danst naar iemands pijpen [eig. zo dansen als iemand pijpt, fluit], zwoegt in het gareel, buigt de schouder/ nek onder het juk, zit onder de pantoffel, geeft zich ten onderen, onderwerpt zich, volgt iemand slaafs na, kruipt voor anderen in het stof, vliegt op iemands wenken

bekrompen geborneerd, pruikerig, steilorig, fatsoensrakker, filister [Hd. Philister, het door Luther gevormde equivalent van Nl. Filistijn], pezewever (gew.), steiloor, steil calvinist, iemand die maar ÚÚn boekje gelezen heeft (gew.), van een steile rechtzinnigheid, in zijn vooroordelen/ denkwijze vastgeroest, altijd aan het krenselen (bekrompen handelen, gew.), heeft hummelige opvattingen, heeft steile begrippen, bezit een hokjesgeest/ hokjesmentaliteit, denkt ongenuanceerd

onderdanig eerbiedig, lakei, onderworpene, Jan de Wasser [bekend door 18de-eeuwse kinderprent, die het verkeerde huishouden voorstelt, waarin Jan al het vrouwenwerk moet doen], meester waar de bezem staat, onder iemands roede, iemands speelbal, heeft een lakeienmentaliteit, handelt met eerbied, handelt eerbiediglijk, laat zich gebruiken/ overheersen, buigt de hals, buigt als een knipmes, buigt voor iemands wil, kromt zich in het stof, benadert mensen met de hoed in de hand, praat mensen in de kaart, praat mensen naar de mond, ziet anderen naar de ogen, valt voor iemand op de knieën, doet een knieval voor iemand, kust iemand de voeten, kust de roede, onderwerpt zich aan iemands wil, handelt met onderworpenheid, legt het hoofd in de schoot, speelt altijd de tweede viool, strijkt de vlag voor iemand, haalt voor een ander de kastanjes uit het vuur [naar de fabel waarin een aap de poot van een naast het vuur slapende hond gebruikt om daar de kastanjes uit te halen]

fantasieloos verbeeldingsarm, heeft een steriele geest/ziel, bewandelt platgetreden paden, vertoont voorspelbaar gedrag

sullig oenig, loeresachtig, labbekakkerig, allemansgek, beftekkel, kluns, bluts (vrl., gew.), droplul, hannes, hennetaster (veroud.), jassul, kakkerlak (gew.), kalf, kloddeman (gew.), kloteklapper, kloris, knul, koekeloer (keukenpiet, veroud.), kremper (gew.), kwak, kwezel, labbekak, lapsoes, lapzwans, liezebet (gew.), lobbedoe (gew.), lobbedei (gew.), lobbes, lubbert (gew., Barg.), sufferd, lul, lut, minkukel, oen, okkeloen, oekeloen, poppekop, doetje, sebben, zebedeus (gew.), steef (gew.), slief (gew.), pummel, sloor (vrl.), soos (vrl.; gew.), snul (Barg., gew.), sul, trasbroek, trullemerie, vot, zondebok, Jan Eenoor, bal gehakt, Jan Hen, Jan Lul, lul de behanger, lul met vingers, lulletje rozewater/ lampekatoen, verdomde Lowietje (zwarte schaap), goeie slokkerd

kleinburgerlijk burgerlijk, kneuterig, ploertachtig, ploerterig, spitsburgerlijk, een buma (burgermannetje), burgerjuffrouw, burgertrul, burgertrut, grutter, kleinburger (germ.), ploert, zulthoofd, Jan Grabbel, Jan Joker, een dikke nek (gew.), een bourgeois, van een kleffe burgerlijkheid, heeft burgermansfatsoen, heeft een bourgeois-mentaliteit/ burgermanssmaak/ spruitjesmentaliteit, heeft vrees voor het qu'en dirat-on (Fr., wat men er van zal zeggen), zijn opvattingen ademen een spruitjeslucht

alledaags triviaal, een urt, mannetje om in een praam te zetten, heeft een platte geest, gaat de middelmaat niet te boven, zoals hij gaan er dertien in een dozijn, gebruikt platitudes/ trivialiteiten

eenzijdig bevooroordeeld, partijdig

stiekem geniepig, luisterziek, schuifelachtig, sluipend, gluipend, tafelschuimend, stiekemerd, foetelaar, genieperd, loervogel, luistervink, schuifel, gluurder, heeft het achter de ellebogen/ mouwen/ oren, heeft linkse streken, heeft verholen bedoelingen, staat altijd te gluren/ loeren, zit te ruinen (konkelen, gew.), loopt te schuimen/ roven/ klaplopen, doet dingen beluikt (gew.)/ clandestien/ dievelings/ heimelijk/ kruipelings, doet iets in den duik (gew.), doet dingen onder de duim (gew.), doet dingen in het geheim/ geniep, doet dingen achter hagen en kanten, doet dingen tersluiks/ ter sluip/ sluikswijs/ sluipswijs/ steelsgewijs/ verstolen, beliegt mensen, flikt iemand een kunstje, staat op de loer, brouwt kwaad, houdt de aap in de mouw, verbergt zijn streken, speelt Abrammetje [Gen. 12:13, waar Abraham tegen zijn vrouw Sara zegt, `Zeg toch: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve.'], probeert zich met halve waarheden ergens uit te redden, foetelt (oneerlijk in het spel), knijpt de kat in het donker, verhult/ maskeert/ vermomt zijn ware bedoelingen/ oogmerken, piept door het sleutelgat, voert altijd iets in zijn schild, er schuilt iets bij hem, hij verbergt iets, er schuilt bij hem een adder onder het gras, handelt in het verborgene, verschuilt zich achter een ander, speelt verstoppertje, weet van de prins geen kwaad, weet niet van zijn gezond

humorloos oubollig, de lolligste thuis, gespeend van humor, heeft geen gevoel voor humor, heeft flauwe praatjes, maakt insipide (geesteloze) opmerkingen

halfzacht zijig, wijverig, zalfachtig, verwijfd, een duuk, ei, flut, meid, flutvent, frotje, geitebreier, geitewollensokkentype, jandoedel, flutter, zalfje, zalf, zacht eitje, Jan Jurk

gezapig ingedommeld, ingedut, traagzaam, gewoontedier, gewoontemens, sleurmens, slaaf der gewoonte, traag van hart, zonder idealen, zit altijd te tragen/ trutten/ zeuren/ trutselenl treuzelen/ beuzelen, voelt zich nergens toe geroepen, volgt de sleur, doet alles in een sleur, reageert traagjes

gemaakt geposeerd, heeft iets gemaakts, praat met een toneelstem

stomvervelend luilebol

neerbuigend beschermend, bevoogdend, heeft een gehurkt toontje, doet uit de hoogte, gaat op zijn hurken zitten, kijkt op anderen neer, verkleint iemands verdiensten

naar boven

V+I-
FILOSOFISCH, COMPLEX, DIEPZINNIG

filosofisch wijsgerig, reflectief, bespiegelend, filosoof, wijsgeer, abstract denker, geneigd tot levensbeschouwelijkheid, verkeert altijd in hoger sferen

complex zit ingewikkeld in elkaar

diepzinnig contemplatief, denker, dieperik, zit altijd zwaar te redeneren, heeft een bespiegelende geest, heeft diepe gedachten, heeft diepgang, zoekt naar de zin van het bestaan, zoekt het diep, leidt een verinnerlijkt leven

beschouwelijk houdt diepzinnige beschouwingen

beschouwend leidt een schouwend leven

analytisch heeft een analyserend denkvermogen

contemplatief in contemplatie verzonken

meditatief meditatief zit vaak te mediteren

naar boven

V-I+
CHAUVINISTISCH, REACTIONAIR

chauvinistisch chauvinist [Nicolas Chauvin, patriottisch veteraan van Napoleon]

reactionair verbeten reactionair, conservatieve bal

naar boven

V+II+
VRIJHEIDLIEVEND, SUBTIEL, RUIMDENKEND

vrijheidlievend vrijheidsgezind, bezit vrijheidsdrang/ vrijheidsdrift/ vrijheidszin, bezit een vrijheidsgevoel, wil vrij zijn, strijdt voor de vrijheid, geniet van zijn vrijheid

subtiel gaat subtiel met mensen om

ruimdenkend breeddenkend, liberaal, verlicht denker, heeft ruime opvattingen, eerbiedigt de mening van anderen, denkt genuanceerd, kan relativeren, kent geen jaloezie, bekijkt dingen ook van een andere kant, laat de kerk in 't midden van het dorp, ziet de relativiteit van iets, geeft anderen de ruimte, gunt iemand het voordeel van de twijfel, verrechtvaardigt iemand, laat mensen ergens vrij in, beziet alles van een wijder standpunt, laat anderen in hun waarde, houdt mensen in waarde

integer onkreukbaar, niet om te kopen

kunstzinnig bezit kunstzin

geëmancipeerd heeft zich bevrijd van maatschappelijke beperkingen

pacifistisch pacifist

ongekunsteld onoverlegd, natuurlijk

artistiek kunstzinnig

onbaatzuchtig niet uit op eigenbaat

muzikaal

naar boven

V-II-
STOMPZINNIG, KRENTERIG, BEKAKT

stompzinnig stomp, stupide, idioot, imbeciel, een kalkoen, stommeling, karpatenkop, knurft, pachyderm [Gr. pachudermos, pachus (dik)+ derma (huid)], begaat stupiditeiten/ stompzinnigheden

krenterig kneuterig, krentenkakkerig, gortenteller, gortenwikker, krent, krentenkakker, kruidenier, is in de pentertjes, heeft een kruideniersgeest, zit altijd te krenten, zit overal op te beknibbelen, wil voor een dubbeltje op de eerste rij zitten, wil voor een kwartje naar Amsterdam

bekakt arrogant, kakkineus, spreekt met een aardappel in de keel

materialistisch grofmaterialistisch, materialist, duitenpletter, iemand voor wie alles een geldkwestie is, dienaar van de Mammon, sluit zijn ziel in de brandkast, heeft het hondengeloof (iemand die meer van het vlees houdt dan van de botten), wroet als een mol in de aarde (gew.), verslaafd aan het aardse, zijn denken is verstoffelijkt, zijn leven is veruiterlijkt

enghartig denkt bekrompen

puriteins puritein [Lat., puritas, zuiverheid]

hebzuchtig hebberig, haai, meugal (gew.), voor alles veil/ venaal, voor alles te koop, heeft bezitsdrang/ bezitsdrift, doet dingen alleen om de centen, zijn hebzucht kent geen grenzen, wil het onderste uit de kan, haalt mensen het vel over de oren, stroopt iemand het vel af

blasÚ [Fr. blaser, afstompen], heeft het allemaal al wel gezien, zit altijd verveeld te kijken

genieperig geniepig

oubollig [Mnl. abolgich, verbolgen, belgen], melig, flauwe grappenmaker

doortrapt doorgedaan, fielterig, fielt, onterik (gew.), vuilak, slimmeling (sic), jezu´et, olijke schavuit (sic, gew.), onte (gew.) mieter, slonk (gew.) mens, door alle netten gevlogen (gew.), door de teems (zeef, gew.) gehaald, door de wol geverfd (ergens van doortrokken, zoals de wol van kleurstof), door de wol heen, altijd ergens op uit, gedraagt zich jezuïtisch, behoort tot het tuig van Laban [Gen. 29, naam van bedrieglijke, inhalige schoonvader van Jakob], haalt fieltenstreken uit, behandelt mensen laag, valt mensen in de rug aan, neemt iemand in het pak, licht iemand op, weet geld uit mensen te pienefen (Barg.), slaat overal munt uit, troggelt iemand geld uit de zak, houdt zich bezig met troggelarij/ bedelarij/ afpersing, zet iemand een valstrik, vist in troebel water, weet mensen ergens toe te belijmen, paait iemand met beloften, pakt mensen met mooie woorden in, palmt mensen in

gierig gierig als het graf, gierig als de duivel/ pest, grijpachtig, grijperig, hapscharig, knekerig, kneuterig, kniezig (gew.), knieperig (gew.), knijperig, parcimonieus, penterig, schraperig, schrieperig (gew.), schriepelig (gew.), schraapachtig, schraapzuchtig, spijkervast, vasthoudend, miezerig, gierigaard, gier, grijp, centenbijter, centenneuker, duitendief, duitenkliever (gew.), erwtenteller (gew.), grijpduivel, grijper, grijpgraag, grijpvogel, hapschaar [Fr. happe-chair, happer, vastpakken en chair, vlees, gew.], harpagon [naam van de gierigaard int' Avare van Moli■re], hennetaster (gew.), Jan Krent, knakenpoetser, kneker (gew.), kneute (vrl.), knibbelaar, krentenweger, kribbebijter (gew.), netenvreter, nijpnaars, pees (gew.), pegelaar (gew.), pestman (Barg.), potkrauwer, potschrapper, prengel (gew.), prengelaar (gew.), schokker (gew.), schraper, trekker (gew.), vasthouder (gew.), gierige Gerrit, de gierigheid in persoon, altijd aan het knibbelen/ knijpen/ rapen en schrapen, is op de centen/ penning, is op de penning zestien [voet waarop rente afgekocht kon worden, rentevoet van 61/ 4 procent], deun op een cent (gew.), is van houtem/ Houthem, van houvast (gew.). van kleef, houdt niet van aflangen, zou een cent/ duit in tweeën bijten, zou een oortje in vieren bijten, zou op een cent doodblijven, zou een kei het vel afstropen, houdt de duimen in de hand (gew.), de hond zit hem in de tas, laat zich aan een arme gulden kennen, kleeft aan het geld, kijkt op de centen, houdt de hand op de knip, er zit geen hond op zijn zak maar een leeuw (gew.), handelt uit mesquinerie (vrekkigheid), zijn oren staan te dicht bij zijn kop (gew.), speelt oordjedood (veroud., gew.), wil niets geven, houdt van peuteren (afdingen, gew.), schijt niet voor elven, lijdt aan schraapzucht, handelt met vasthoudendheid/ gierigheid

inslecht door en door slecht

frigide seksueel ongevoelig (vrl.)

naar boven

V+II-
REBELS, ONAANGEPAST, IRONISCH

rebels rebellig, rellerig, oproerig, rebels, woelziek, onruststoker, onrustzaaier, oorblazer, ophitser, opmaker (gew.), opruier, oproerling, oproerkraaier, oproermaker, oproerprediker, oproerstichter, oproerstoker, oproervink, oproerzaaier, opstoker, ordeverstoorder, rebel, titan [oorspr. Gr. zonnegod van tito, dageraad, zon], relschopper, reltrapper, relletjesmaker, relnicht, woelgeest, iconoclast (lett. beeldenstormer), schopt heilige huisjes omver, altijd aan het woelen, stookt altijd onrust, kraait altijd oproer, werpt het juk van de gehoorzaamheid af, schopt een rel, ondermijnt de tucht, houdt zich bezig met oorblazerijen/ oorblazingen, heut [eig. heu, heu roepen tegen vee]/ hitst/ ruit/ stoept (gew.)/ stookt mensen op, vijst (gew.)/ zet mensen tegen elkaar op, zet mensen ergens tegen op, steekt de oproervaan omhoog, lijdt aan woelzucht, verstoort de orde, spreekt opruiende taal, rebelleert ergens tegen, komt tot rebellie/ rebelsheid, klimt in de touwen, verzet zich, weigert gehoorzaamheid

onaangepast een misfit, ridder van de droevige figuur (Don Quichot)

ironisch spreekt ironiserend

radicaal streeft naar ingrijpende hervormingen

provocerend provo (tegen het gezag optredende jongere, m.n. in de jaren zestig), provocateur, provoceert anderen, gooit een steen in een vijver (om opschudding te veroorzaken)

scherp horzel in de pels, maakt scherpe opmerkingen, doopt zijn pen in gal en alsem, heeft een messcherp verstand, een puntig scherpe geest, rappe geest

gedreven

plagerig plager, plaaggeest, voert iemand een beschuitje, houdt iemand voor de gek/ guichel (gew.), besingelt (gew.)/ fopt/ besuikert/ neukt/ verneukt/ nolt (gew.)/ piert mensen, neemt iemand in de boot, neemt iemand in het ootje, guichelt (gew.) met mensen, steekt iemand in de kleren, verkoopt klootvis (fopt mensen, gew.), haalt een lolletje met iemand uit

naar boven

V-II+
VOLGZAAM, GEHOORZAAM, GEDWEE

volgzaam beïnvloedbaar, handzaam, volgziek, een beo, naprater, spreeuw, kuddedier, kuddemens, groepsdier, naper, nabootser, epigoon, iemands bazuinblazer/ spreekbuis, gedraagt zich als een vazal, bezit vazallentrouw, heeft een imitatiedrang/ imitatiezucht, zit te papegaaien, zegt overal ja en amen op [2 Cor. 1:20, Want zovele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen, ...], praat als een papegaai, babbelt anderen na, praat mensen gedachteloos na, speelt ja en amen, praat opzettelijk met iemand mee, laat zich leiden/ meeslepen/ opklooien/ opjuinen/ bedrillen, laat zich voor iemands karretje spannen, volgt iemand blindelings, vaart blind op iemand, huilt met de wolven in het bos, gelooft alles, doet dingen op gezag, hobbelt met anderen mee, loopt met de meerderheid mee, loopt aan iemands leiband, vaart in iemands zog, past zich aan bij de kliekgeest/ kuddegeest/ kuddemoraal, danst naar iemands pijpen [eig. zo dansen als iemand voorpijpt, fluit], zit onder de plak, zit op en geeft pootjes, lijdt aan volgzucht, imiteert anderen, aapt/ bootst/ doet mensen na, wat hij zegt is psittacisme [van Gr. psittakos, papegaai, gedachteloze napraterij]

gehoorzaam gezeglijk, verbiedelijk, handelt uit blinde gehoorzaamheid, gehoorzaamt blindelings, loopt in het gareel, leeft geboden na, neemt geboden ter harte

gedwee gedwee als een lam, gemoeiig (gew.), schaap, zo mak als een schaap/ lammetje, nog makker dan een bejaard paar ouderlingen [De Schoolmeester van J.v.Lennep], onder een pet/ hoedje te vangen, gedraagt zich soumis (onderworpen), heeft een schapeaard, draagt zijn lot in stille berusting, slikt wat anderen zeggen of doen, haalt bakzeil, gaat over ree (overstag, gew.)

braaf wijs (sic, gew.), zedelijkheidsapostel, zedenmeester, zedenprediker, braathals, braverd, braverik, brave borst/ ziel/ Dirk/ Hendrik [naar een school-leesboekje van Nicolaas Anslijn, 1777-1838], heilig boontje [verbastering van heilig bontje een burgerwees uit de 18de eeuw], mens van het rechte bedde (gew.), altijd aan het zedenmeesteren/ zedenpreken, zit te zedemieren (zalvend te zeuren)/ moraliseren

goedgelovig neemt alles op goed geloof aan, neemt alles voor goede/ gangbare munt aan, gelooft mensen op hun woord, schenkt mensen geloof, verlaat zich op iemands woord

gewoon kleurloze persoonlijkheid, is maar gewoontjes, van een simpele gewoonheid

naar boven

V+III+
KARAKTERVOL, CONSTRUCTIEF, GEINTERESSEERD

karaktervol heeft een sterk karakter

constructief constructief heeft opbouwende ideeën

ge´nteresseerd belangstellend, toont interesse/ belangstelling

opmerkzaam perceptief, aandachtig, fijn opmerker, geheel oog voor iets, heeft ogen van voren en van achteren, heeft een opmerkzame blik, heeft opmerkingsgave, merkt scherp op, de ogen vliegen hem door het hoofd, ziet goed uit zijn ogen, geeft zijn ogen de kost

taai taai van aard, taaierd, taainagel, laat zich niet overhalen, ouwe taaie, houdt zich taai

onomkoopbaar integer

proza´sch prozamens, heeft een prozaïsche levensbeschouwing

naar boven

V-III-
ONKRITISCH, OPPERVLAKKIG, KARAKTERLOOS

onkritisch heeft geen eigen mening

kritiekloos slikt alles voor zoete koek, heeft nergens kritiek op

oppervlakkig leeghoofdig, leeghoofd, oelewapper, oelewap [tussenwerpsel oele, 't mocht wat], populist, tararaboemdijeefiguur, schertsfiguur, een hol hoofd/ vat, heeft een denkluiheid, heeft geen diepgang, doet poop/ popi/ populair, 't zit bij hem niet diep, spreekt holle woorden/ frases/ klanken, kijkt niet verder dan zijn neus lang is

karakterloos waardeloos, allemansvriend, drolbaars, drollebak, hondsvot, jabroer, jaman, jaknikker, lapzwans, leur (gew.), paloeter (gew.), Jan Palul, platbroek (gew.), prullevent, prutsvent, puim (gew.), stroman, stropop, voddenbaal, voddevent, worm, drol/ fluim/ lor/ prul/ pruts van een vent, vent van likmevestje/ niks, geen knip voor de neus waard, geen schot kruit waard, draait met alle winden, stelt zich katterig aan, kruipt als een worm in het stof

huichelachtig dubbelhartig, dubbelslachtig, huichelaar, Jezusverrader, jezuïet, valserik, veinzaard, veinzer, een gepleisterd graf [Matth. 23:27..., want gij zijt den witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid.], wolf in schaapskleren, wolf in een schapevacht, heeft galgeberouw (onecht berouw), heeft jezuïetenstreken, spreekt met dubbele tong, er is dissimulatie in zijn woorden, huilt krokodillentranen, betoont mensen liphulde/ lippendienst, huichelt anderen iets voor, doet lievig, likt naar boven en trapt naar beneden, al wat hij zegt is veinzerij

hypocriet schijnvroom, armezondaar, farizeeër, mystificateur, schijnchristen, van buiten kareel van binnen bordeel (kareel, vierkante gebakken steen, gew.), heeft farizeeërsstreken, heeft altijd een kakje/ uitvlucht/ kutsmoes/ lulsmoes/ palliatief/ sluipdeurtje, bemantelt zijn slechte eigenschappen, vermomt zich, bij hem heeft de kat van de bakker het gedaan (schuift de schuld van iets af), men zou hem ons Heer geven zonder biechten, doet aan piëtisterij/ femelarij, doet dingen alleen voor de schone schijn, speelt de vermoorde onschuld, zit vooraan in de kerk, zit vol vromigheid, speelt de vrome

gekunsteld plastic, prenterig, decadent, geaffecteerd, gemanierd, gemaniëreerd, histrionisch, komedianterig, precieus, artistiekeling, drogredenaar, komediant, een nagemaakte, toneelspeler, totentrekker (gew.), simulant, geforceerd vriendelijk, van een gekunstelde eenvoud, heeft een plastic glimlach, heeft een bestudeerde houding, heeft iets gemanierds, gedraagt zich onecht/ onnatuurlijk, zit altijd te tandakken (toneel spelen), zijn gedrag doet aangeleerd aan, doet voortdurend alsof, doet artistiekerig, doet diep, doet quasi-diepzinnig, beft mooi, doet zich deftig voor, gebruikt drogredenen, speelt komedie/ toneel, speelt een rol, speelt mooi weer tegen iemand, schreit toneeltranen, praat met een toneelstem, doet aan windowdressing (stelt dingen mooier voor dan ze zijn)

infantiel doet als een kleuter, vertoont immatuur gedrag

schijnheilig begijn (gew.), kwezel, braathals, braverd, braverik, femel, femelaar, femelgat, femelkont, femelkous, heiligschrijver (gew.), klopje, kneute (gew.), kneut, menistenzuster, schijnheilige, tartuffe [titelheld van blijspel van Moli■re], pilaarbijter (iemand die overdreven vaak naar de kerk gaat), brave Dirk/ Hendrik, fijne beschuit/ zus, bigot mens, iemand met twee gezichten, zit altijd te femelen/ fijmelen, heeft de bijbel wel in de mond maar niet in het hart, heeft Victoriaanse opvattingen, doet aardig, doet dingen alleen voor het uiterlijk, doet ons Heer een vlassen baard aan (gew.), doet iemand een vlassen baard aan (bedriegt iemand op schijnheilige wijze, gew.), smoest mensen iets aan, hangt de heilige uit, leest Onze-LieveHeer van het kruis, zijgt de mug uit en doorzwelgt de kemel [Matth. 23:24, Gij blinde leidslieden, die de mug uitzijgt, en den kemel doorzwelgt], knijpt de muis in den donker, knijpt de kat in het donker, uit elke trek van zijn gelaat spreekt een schriftuurplaats

kruiperig gatlikker, kontlikker, kutlikker, hielenlikker, voetlikker, likker, likkepot, hoveling, kruiper, labberlot, mafferik, maffer (onderkruiper), mouwstrijker, mouwveger, ogendienaar, strijker, weekdier, kruipend beleefd, altijd aan het flikflooien/ kontkruipen/ kontlikken/ kutlikken (laag vleien), heeft een byzantijnse geest, heeft een hovelingenaard, likt iemands gat/ kont/ aars, kruipt iemand in zijn gat/ hol/ kont/ reet, wringt zich in allerlei bochten, weet zich ergens in te likken/ flikken/ flodderen, strijkt iemand onder de kin, kruipt voor iemand, kruipt voor zijn meerderen en trapt (op) zijn minderen, veegt/ strijkt iemand de mouw, bewijst iemand ogendienst, draait/ kuift iemand op, bedriegt iemand met mooie woorden, praat iemand naar de mond, strijkt/ streelt/ vleit mensen, streelt iemands eigenliefde/ ijdelheid, maakt iemand strijkages, lijdt aan vleizucht

aanpapperig papt met iedereen aan, paait mensen met fluwelen woorden, vraagt dingen op suikerachtige wijze

slijmerig slijmerd, slijmgat, slijmjurk, fraseur, knopendraaier (flikflooier), mooidoener, mooiprater, schoonprater, smouter (gew.), strooplikker, stroopsmeerder, stroopsoldaat (iemand die altijd precies doet wat de baas zegt om er beter van te worden), altijd aan het knopendraaien/ flikflooienlslij men/ strooplikken/ stroopsmeren/ smoezen, heeft een fluwelen/ fulpen tong, heeft mooie praatjes, doet mooie beloften, doet bloemzoet, maakt iemand Franse complimenten (gew.), smeert mensen honing om de mond, smeert mensen siroop aan de baard, loopt met de smeerkwast/ stroopkan/ stroopkwast, doet aan stroopsmeerderij, bij hem is het `terwille van de smeer likt de kat de kandeleer', zet iemand in de kakstoel (gew.), maakt het iemand aangenaam teneinde iets gedaan te krijgen, geeft iemand laudanum (slaapwekkend, pijnstillend middel), sust iemand met vleierijen, klapt schoon, weet schoontjes te praten, weet zich schoontjes voor te doen, weet zich schoon te praten, spreekt schoonklinkende woorden, verkoopt mooiklinkende praatjes, smoest mensen iets op, verkoopt smoesjes, smoest ergens omheen, smoest zich altijd ergens uit, smoezelt maar wat, bakt platte (gew.)/ zoete broodjes, stoot iemand plat (Barg., licht iemand op door mooi te praten), draait iemand een rad voor de ogen, speelt het schoon manneke (verontschuldigt zich met vleiende woorden), veegt zijn paadje schoon, wast zichzelf schoon, fokt bij iemand een smoeltje, probeert in het gevlij te komen

geniepig insidieus, mieniker (Barg.), een mien, geniepigerd, verlakker, heimelijke deugniet, doet achterduims (gew.), pleegt chantage, chanteert mensen, speelt iemand een lelijke trek, verdraait iemands woorden, verlakt mensen

glibberig glibber, griezel

simplistisch simplificeert zaken

naar boven

V+III-
VRIJGEVOCHTEN, ONDOGMATISCH, REVOLUTIONAIR

vrijgevochten anti-autoritair, breidelloos, ketterachtig, ketters, onorthodox, zwerflustig, boekanier, dissenter, andersdenkende, dissident, ketter, libertijn, vrijdenker, vrijgeest, zwerver, zwerveling, vrije vogel, niet breilijk (gew.), niet te beteugelen, niet zuiver in de leer, zo vrij als een vogeltje in de lucht, heeft een zucht tot de vrijheid, heeft zwerflust/ aanpassingsproblemen, heeft onorthodoxe opvattingen, heeft wild haar in de neus, moeilijk te regeren, slaakt zijn boeien, braveert geweld, braveert de wet, laat zich niet commanderen/ knechten, laat zich niet voor iemands karretje spannen, hecht niet aan vormen, stoort zich niet aan regels, werpt/ schudt het juk af, werpt/ schudt de ketens af, verkondigt ketterse theorieën, werpt de teugels af, lijdt aan zwerfdrang/ zwerfzucht

non-conformistisch onconformistisch, onconventioneel, non-conformist, geeft niet om formaliteiten/ omgangsvormen, schendt/ doorbreekt taboes

ondogmatisch onrechtzinnig

revolutionair hervormingsgezind, omwentelingsgezind, subversief, hemelbestormer, revolutiemaker, bezit hervormingsdrang/ hervormingszin

onbekrompen heeft een kosmopolitische geest

ongehoorzaam niet te regeren, wil niet horen/ luisteren, pleegt insubordinatie, luistert naar geen vermaan

apart randfiguur, loopt uit de pas, staat alleen

buitenissig excentriek, excentriekeling, valt uit de toon

dichterlijk poëtisch, dichter, poëet, heeft een dichterziel, heeft poëzie in zijn ziel, bekijkt dingen met een dichteroog, poëtiseert dingen

ongelovig ongelovige Thomas [Joh. 20:25, waarin Thomas zei: `Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen, en mijn vinger steke in het teken der nagelen, en steke mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven.'], gelooft niet direct wat mensen zeggen

naar boven

V-III+
GEZAGSGETROUW, CONVENTIONEEL, BURGERLIJK

gezagsgetrouw wetgetrouw, wettisch, man van plicht en regel, loopt altijd in de pas

conventioneel aangepast, clich‚matig, traditiegetrouw, traditiegebonden, traditioneel, traditionalistisch, conformist, kakker (bangelijke jongere die zich onderscheidt door conventioneel gedrag en dure kleding), massamens, heeft conventionele/ schoolse opvattingen, heeft traditiezin, past zich aan, conformeert zich aan de regels, hecht aan conventies/ fatsoensnormen/ traditie, bedient zich van gemeenplaatsen, denkt in sjablonen, vertoont normgedrag/ rolgedrag

conservatief steilorthodox, orthodox, conservatieveling, die-hard, een rechts conservatief, fatsoensrakker, klepbroek, rechtse bal, heeft achterhaalde/ orthodoxe opvattingen, houdt vast aan voorvaderlijke gebruiken

burgerlijk square (slang), verburgerlijkt, trol (provoterm, iemand uit de consumptiemaatschappij), van-negen-tot-vijf-type, gesteld op het fatsoen, houdt zijn fatsoen, houdt zijn stand op

preuts prude, een tut, tuthola, tuttebel, tuttebol, tuttekop, heeft victoriaanse opvattingen, handelt met pruderie, trekt een ruimenmondje

dogmatisch calvinistisch, rechtzinnig, fundamentalistisch, calvinist, dogmaticus, fundamentalist, purist, prinzipienreiter, zuiveraar, zuiver in de leer, zo fijn als gemalen poppestront, roomser dan de paus, van de zwartekousenkerk, heeft doctrinaire (leerstellige) opvattingen, maakt overal een principekwestie van, doet aan prinzipienreiterei, denkt in zwart-wit

ouderwets oude pruik (mol.), is er een uit de arke Noachs, nog van de oude stempel, uit de tijd, huldigt oudbakken/ overwonnen/ verkalkte denkbeelden, zijn opvattingen en manieren zijn niet meer van deze tijd

moralistisch moraliserend, moraalridder, moralist, altijd aan het moraliseren, laat zich leiden door moraline (kleinzielig morele verontwaardiging)

devoot ingekeerd

deftig deftigheid, een heer, een dame

paternalistisch aartsvaderlijk, patriarchaal, patriarch

naar boven

V+IV+
KRITISCH, SCHERPZINNIG, INVENTIEF

kritisch oordeelkundig, zuiver oordelaar, trefzeker in zijn keuzen, heeft een kritische geest, heeft een helder/ rijp/ zuiver/ gezond oordeel, gaat met oordeel te werk, geeft een opscherpende/ opbouwende kritiek, trekt dingen in twijfel, aanvaardt niets voetstoots, vraagt naar het waarom (zie ook `sceptisch'), onderscheidt de schijn van het wezen, onderscheidt het wezenlijke van het toevallige, bekijkt dingen van alle zijden

scherpzinnig geestvol, hoogbegaafd, nugger, volgeestig, breinbaas, whizzkid, een Oedipus (gelukkig of bedreven in het oplossen van raadsels en ook helderziend), presente kruisbei (gew.), petillant (sprankelend van geest), heeft een helder brein, heeft esprit, heeft een fijne/ lucide/ heldere geest, heeft een kristalhelder verstand, heeft een onbeneveld oordeel, bezit perspicaciteit/ doorzicht/ scherpzinnigheid/ inzicht, heeft geestelijke souplesse, denkt analytisch/ snel, doet zijn geest schitteren, petilleert van geest

inventief handige bliksem, bezit inventiviteit/ vinding, heeft scheppend vermogen, heeft lumineuze ideeën, heeft pasklare oplossingen, heeft originele vondsten, weet overal een mouw aan te passen

veelzijdig alzijdig ontwikkeld, heeft een brede/ ruime blik

alert alert op wat er gebeurt, vlugge jongen, bezit tegenwoordigheid van geest, laat zich niets aannaaien/ inpraten/ ontglippen, laat zich niet linken/ verlakken/ verneuken/ verschalken, laat zich niet te slapen leggen, laat zich niet om de tuin leiden, er ontgaat hem niets, niets ontsnapt aan zijn aandacht, kijkt uit zijn ogen, trapt nergens in

vindingrijk tricky (sic), uitdenker, bezit vindingskracht, verzint dingen, prakkizeert een oplossing

vooruitstrevend vrijzinnig, visionair, baanbreker, koploper, nieuwlichter, padvinder (sic), pionier, reformist, wegbereider, toegankelijk voor nieuwe ideeën, politiek links, zijn tijd vooruit, heeft visie, heeft geavanceerde/ innovatieve/ moderne/ nieuwerwetse/ vrijzinnige denkbeelden, heeft belangstelling voor iets nieuws, bezit vernieuwingsdrang/ pioniersgeest, slaat nieuwe wegen in, doet baanbrekend werk, gaat grensverleggend te werk, houdt van nieuwigheden, loopt voorop, behoort tot de voorhoede, vertoont roldoorbrekend gedrag, doorbreekt het rollenpatroon/ rolpatroon, hangt een vernieuwingsgedachte aan, vervult een voortrekkersrol

geniaal genie

spitsvondig casuïst, drogredenaar, altijd aan het ziften, redeneert casuïstisch (niet volgens de regels, maar naar gelang de omstandigheden), gebruikt drogredenen/ spitsvondigheden/ subtiliteiten, gebruikt valse redeneringen, gebruikt spitsvondige haarkloverijen

spits heeft een spitse geest, maakt spitse opmerkingen, slaat de spijker op de kop

intelligent intellectueel, inzichtig, geleerd, knap, knapperd, savant, studiebol, studiekop, studiehoofd, studiosus, goed verstaander, man van studie, knappe kop, groot verstand, goed bij, vlug van begrip/ bevatting, met geest/ rede begaafd, goed van opnemen, met uitstekende geestesgaven bedeeld, niet op zijn achterhoofd/ achterneut gevallen, heeft hersens, heeft een goed verstand/ bevattingsvermogen, heeft een goed stel hersens, heeft een helder hoofd, heeft een vlugge kop, heeft een grote intelligentie, heeft sociale intelligentie, heeft inzicht, heeft een klaarheid van geest, heeft ze alle vijf bij elkaar, bezit een studiegeest, het waait hem zomaar aan, begrijpt/ vat/ raadt dingen snel, kan goed leren, leert gemakkelijk, laat zich leiden door rede, denkt/ redeneert logisch, ziet dingen in groter verband, weet zijn weetje

wijsgerig levenswijs, wijsgeer, problematicus (zoeker), heeft een bezonken geest, geeft een bezonken oordeel, bezit levenswijsheid

pienter kien, piechem, een hele bol, goed bij het hek (gew.), goed bij, goed bij de tijd, heeft geen sneetje in zijn lip, bij de pinken, weet wat meer dan een huismans hen (is zo dom nog niet)

weetgierig weetgraag, bezit weetlust

snugger wakker

onvervaard boud, zonder vaar noch vrees [veroud. vgl. gevaar], zegt boudweg waar het op staat, doet dingen stoutweg

vernuftig vernufteling, groot vernuft, heeft een stekelig/ vlijmscherp vernuft, bedenkt vernuftigheidjes, strijdt met het rapier van zijn vernuft, weet overal raad op

begaafd rijkbegaafd, talentrijk, talentvol, man van talent, woekert met zijn talent

coulant behandelt mensen met coulance, neemt een coulante houding aan

pragmatisch pragmaticus

naar boven

V-IV-
KLEINGEESTIG, ONBENULLIG, AANSTELLERIG

kleingeestig keutelachtig, keutelig, kruimelig, mesquin, ouwe fiep (gew.), zeur, krentenweger, kleine kruimelaar, altijd aan het knibbelen, heeft een kleinheid van geest, lijdt aan bewustzijnsvernauwing, wat hij doet is maar dun, handelt uit mesquinerie

enggeestig geesteloos, sokachtig, cultuurbarbaar, cultuurheiden, zonder geestkracht, arm van geest, heeft een bot verstand, heeft een gamaleverstand, heeft een luiheid van geest, debiteert scheurkalenderwijsheden, er gaat niets van hem uit

onbenullig breinloos, flutterig, fluttig, onbeduidend, nietswaardig, kadodder (gew.), niemendal, nieteling, nitwit, nietsnut, non-valeur, nulliteit, figurant, nietszeggend persoon, stuk onbenul, grote nul, vent van niks, heeft nergens verstajem/ verstajes/ verstajing/ benul van, houdt zich bezig met ijdelheden, er gaat weinig in hem om, kijkt of hij stront ruikt (kijkt suf, `bescheten'), wat hij beweert is ruis

aanstellerig mystiekerig, overdreven, pathetisch, doet interessant, vreemd fatsoentje, aansteller, fratsenmaker, kunstenmaker, nijpnaars (meisje dat aanstellerig loopt), poseur, zijn gedrag is aandachttrekkerij, heeft last van aanstelleritis, blert om niks, houdt van geheimzinnigdoenerij, trekt een martelaarsgezicht, spreekt met een vals pathos, houdt zich bezig met potsenmakerij, scheert de aap, speelt komedie, stelt zich aan, huilt valse tranen

kortzichtig ziende blind, willens blind, kneuter, met blindheid geslagen (wil niet inzien wat anderen duidelijk is), hecht aan uiterlijkheden, kijkt niet verder dan zijn neus lang is, peinst niet ver, ziet niet vooruit

manziek valt op/ voor elke man

benepen muf, miesgasser, miesmacher (Barg.), plichtezel, zit altijd te muffen/ suffen

doodvervelend oervervelend

dweepzuchtig vierder, vereerder, bewierookt mensen, heeft een blinde verering voor iemand

poeslief

simpel versimpeld, Simpelmans, kokosmakroon, sufferd, dummy, halvezool, lamp zonder olie, simpele ziel, eenvoudige van geest, heeft een beperkt geestvermogen, heeft een klein verstand, heeft nergens sjoege van, doet simpeltjes/ wezenloos, weet van voren niet dat hij van achteren leeft

familieziek hecht sterk aan zijn familie

dweperig zelotisch, dweper, zeloot (blind ijveraar/ bewonderaar), blind voor iemands gebreken, gedraagt zich orgiastisch, adoreert/ heroïseert mensen, draagt iemand op handen, loopt hoog met iemand weg, ligt aan iemands voeten, verheft iemand tot in de wolken

zoetsappig zije reet, vraagt dingen op suikerachtige wijze

dweepziek bidziel (vrl.), hemeldragonder (dweepzieke geestelijke), lijmepoep, kwezel, idolaat van iemand, altijd aan het lijmen/ pluimstrijken, aduleert/ venereert/ aanbidt/ verafgoodt/ vereert/ vergoddelijkt/ vergoodt mensen, bouwt altaren voor iemand, vereert iemand als een halve god, ziet huizenhoog tegen iemand op, verheft iemand hemelhoog, maakt iemand tot zijn idool, koestert een religieuze/ stille verering voor iemand, vereert de godheid, vereert afgoden/ heiligen, doet aan persoonsvergoding/ persoonsverheerlijking, plaatst mensen op een voetstuk

wuft kapel, vlinder

indolent lusteloos

perfide vals, verraderlijk

naar boven

V+IV-
PO╦TISCH, GEPASSIONEERD, IDEALISTISCH

poëtisch dichterlijk, poëet

gepassioneerd hartstochtelijk

idealistisch utopisch, idealist, utopist, verbeteraar, wereldverbeteraar, vol idealisme, heeft idealen, wensbeelden, vecht voor een ideaal, wil de wereld verbeteren

zinnelijk laat zich leiden door zinnendrift/ zinnenlust

artistiekerig zogenaamd artistiek

naar boven

V-IV+
OERDEGELIJK, AARTSGIERIG, AANMATIGEND

oerdegelijk de degelijkheid zelve

aartsgierig kan nog geen stuiver missen

aanmatigend waanwijs, zo wijs als Salomo's kat, zo wijs als Salomo, heeft babbels, heeft praats voor zes, eist dingen op hoge toon

V+V+
FANTASIERIJK, CREATIEF, REFLECTIEF

fantasierijk fantast, heeft een rijke verbeelding, bouwt luchtkastelen

creatief creatieveling, heeft een plastisch vermogen, heeft een scheppende verbeeldingskracht, heeft een scheppend vernuft, heeft scheppingsdrang/ scheppingsvermogen, drukt zich plastisch uit

reflectief heeft een bespiegelende geest

naar boven

V-V-
OVERBELEEFD

overbeleefd put zich uit in beleefdheden/ complimenten

naar boven

terug naar Big 5